Met LHBTIQ+ in gevangenisdetentie in België en Nederland worden lesbische, homoseksuele, biseksuele, transgender, intersekse en queer gedetineerden en andere seksuele en genderdiverse personen bedoeld. Onderzoek naar deze groep gaat vooral over relaties en seksualiteit tijdens detentie, seksuele gezondheid, discriminatie en geweld en de plaatsing van transgender gedetineerden.
Onderzoek uit België en Nederland beschrijft een gevangeniscultuur waarin homoseksualiteit en seksualiteit moeilijk bespreekbaar kunnen zijn. Het beschikbare onderzoek betreft vooral homoseksuele mannen en transgender gedetineerden. Specifiek beleid voor LHBTIQ+-gedetineerden is beperkt. miniatuur|206x206px|Toegangspoort van Leuven-Hulp met restanten van een regenboogvlag (2026)
Historische context
België Homoseksuele handelingen tussen instemmende volwassenen waren in België niet afzonderlijk strafbaar, maar homoseksuele mannen konden via zedelijkheidsbepalingen wel met justitie in aanraking komen. In 1965 werd met artikel 372bis van het Strafwetboek een expliciet onderscheid naar geslacht ingevoerd.
Afzonderlijke statistieken over de toepassing van artikel 372bis zijn niet bijgehouden. Volgens Wils werd de bepaling in de praktijk frequent toegepast. Zij verwijst naar een rechtsgeleerd artikel uit 1985–1986 waarin werd gesteld dat honderden personen op grond van deze strafbepalingen in de gevangenis of in een rijksgesticht waren geplaatst. Artikel 372bis en de daarmee samenhangende bepaling in artikel 377 werden in 1985 opgeheven.
Nederland In Nederland werd in 1911 artikel 248bis van het Wetboek van Strafrecht ingevoerd, dat seksuele contacten tussen een meerderjarige en een persoon van hetzelfde geslacht jonger dan 21 jaar strafbaar stelde, terwijl voor heteroseksuele contacten een leeftijdsgrens van 16 jaar gold. Tussen 1911 en 1971 kwamen ruim vijfduizend personen op grond van dit artikel voor de rechter; iets meer dan de helft werd veroordeeld, doorgaans tot gevangenisstraffen van drie tot zes maanden. Ook verdachten die uiteindelijk niet werden veroordeeld konden door voorarrest enige tijd gedetineerd zijn.
Juridisch kader
In België vormt de Basiswet betreffende het gevangeniswezen van 12 januari 2005 het belangrijkste wettelijke kader voor de rechtspositie en behandeling van gedetineerden. De wet bevat geen afzonderlijke bepalingen voor LHBTIQ+-gedetineerden, maar legt algemene rechten en waarborgen voor gedetineerden vast.
In Nederland wordt de rechtspositie van gedetineerden vooral geregeld door de Penitentiaire beginselenwet (PBW). Ook deze wet bevat geen afzonderlijk kader voor LHBTIQ+-gedetineerden. Daarnaast geldt het algemene verbod op discriminatie uit artikel 1 van de Grondwet.
Op Europees niveau zijn België en Nederland partij bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), waaronder artikel 8 over het recht op eerbiediging van het privéleven en artikel 14 over het verbod op discriminatie. De Raad van Europa riep de lidstaten in Aanbeveling CM/Rec(2010)5 op maatregelen te nemen tegen discriminatie op grond van seksuele oriëntatie en genderidentiteit. Voor personen in detentie vraagt de aanbeveling specifiek om hun veiligheid en waardigheid te waarborgen en hen te beschermen tegen fysiek en seksueel geweld. De Europese Gevangenisregels bevatten daarnaast algemene normen voor de behandeling en bescherming van gedetineerden. In Aanbeveling (EU) 2023/681 beval de Europese Commissie de lidstaten aan om bij beslissingen over detentie rekening te houden met de bijzondere behoeften van onder meer LHBTIQ+-gedetineerden.
Daarnaast vormen de Yogyakarta-beginselen uit 2006 een internationaal mensenrechtenkader voor de toepassing van bestaande mensenrechten op seksuele oriëntatie en genderidentiteit. In 2017 werden zij aangevuld met de Yogyakarta Principles plus 10 (YP+10). De beginselen zijn geen internationaal verdrag en zijn niet juridisch bindend. Nederland onderschreef de beginselen in 2008.
Relaties en seksualiteit in detentie
Huwelijk en partnerrelaties In Belgische gevangenissen blijft het recht om te huwen bestaan. In antwoord op een parlementaire vraag verklaarde de Belgische minister van Justitie in 2008 dat voor gedetineerden dezelfde huwelijksprocedure geldt als buiten de gevangenis en dat een gevangenis een huwelijk niet kan weigeren. Nadat het huwelijk in België in 2003 werd opengesteld voor paren van hetzelfde geslacht, vonden ook binnen Belgische gevangenissen huwelijken tussen mannen plaats. Zo trouwden in november 2010 twee mannelijke gedetineerden met elkaar in Leuven-Centraal. Bezoek zonder toezicht In België en Nederland bestaat bezoek zonder toezicht (BZT). Daarbij kan een gedetineerde onder bepaalde voorwaarden een partner ontvangen zonder dat personeel aanwezig is. In België is dit in principe minstens eenmaal per maand gedurende twee uur mogelijk. Uit onderzoek van de VUB onder 122 mannelijke gedetineerden in tien Belgische gevangenissen bleek dat driekwart van hen dit bezoek positief vond voor hun relatie en welzijn. Gedetineerden met een vaste partner waren het meest tevreden over hun seksualiteitsbeleving. De Nederlandse regels voor bezoek zonder toezicht maken geen onderscheid naar het geslacht van de partner.
Seksueel contact tussen gedetineerden Uit hetzelfde VUB-onderzoek bleek dat 6,7 procent van de respondenten tijdens detentie vrijwillig seksueel contact met een medegedetineerde had gehad. Onder deze respondenten waren homoseksuele mannen relatief sterk vertegenwoordigd. Ook in Nederlandse penitentiaire inrichtingen is seksueel contact tussen gedetineerden beschreven in de juridische en penitentiaire literatuur.
In de internationale gevangenisliteratuur wordt daarnaast gesproken van situationele homoseksualiteit, waarbij seksueel gedrag met iemand van hetzelfde geslacht niet noodzakelijk overeenkomt met iemands seksuele identiteit. Voor dergelijk situationeel seksueel gedrag wordt met name in Amerikaanse gevangenissen ook de uitdrukking gay for the stay gebruikt.
Taboe en gevolgen voor de gezondheid In Belgische en Nederlandse gevangenissen is seksualiteit vaak moeilijk bespreekbaar. Onderzoek beschrijft een machocultuur waarin gedetineerden weinig over seksualiteit spreken, zowel met elkaar als met personeel. In een VUB-onderzoek gaf meer dan een kwart van de Belgische respondenten aan nooit te praten over seksuele problemen of misbruik. Hierdoor kunnen problemen onopgemerkt blijven en zoeken gedetineerden niet altijd hulp.
In hetzelfde onderzoek werd ervoor gepleit seksuele gezondheid structureel op te nemen in de reguliere gezondheidszorg binnen gevangenissen. Penal Reform International noemde in Making Standards Work het beschikbaar stellen van condooms als een van de maatregelen om de overdracht van hiv en andere infecties in gevangenissen te beperken, mede omdat seksuele contacten tussen gedetineerden voorkomen.
In België kunnen gedetineerden sinds 2009 bij de medische dienst van de gevangenis een pakketje met een condoom en glijmiddel krijgen ter preventie van hiv en andere seksueel overdraagbare infecties.
In Nederland bepaalde het ministerie van Justitie in 1987 per circulaire dat condooms in gevangenissen beschikbaar moesten zijn voor gedetineerden. In een circulaire over het aidsbeleid uit 1996 werd dit opnieuw vastgelegd, waarbij ook condooms geschikt voor anaal seksueel contact beschikbaar moesten zijn. In 1997 voerden Stan Van Loon en Gerda van ’t Hoff een landelijke enquête uit onder aidsverpleegkundigen in Nederlandse gevangenissen naar de beschikbaarheid van condooms.
De resultaten werden in november 1997 gepresenteerd tijdens het internationale symposium Access to Condoms for Prisoners in the EU in Brighton. In 1998 verscheen bij het National AIDS and Prisons Forum het Europese eindrapport Access to Condoms for Prisoners in the European Union van Sally Perkins.
Discriminatie en veiligheid Onderzoek in Belgische gevangenissen beschrijft discriminatie, uitsluiting en verbaal geweld tegen LHBTIQ+-gedetineerden. Ernstig fysiek of seksueel geweld werd minder vaak gemeld, maar ook daarvan werden incidenten vastgesteld. Het onderzoek vermeldt daarnaast voorbeelden van acceptatie en steun door personeel en medegedetineerden.
Voor Nederland beschreef Pauline Jacobs dat transgender gedetineerden vanwege angst voor uitsluiting of een gebrek aan acceptatie hun transgenderidentiteit soms niet met medegedetineerden delen. Ook worden zij in de praktijk soms op een Extra Zorg Voorziening geplaatst om hen tegen uitsluiting en pesterijen te beschermen.
Transgender en genderdiverse gedetineerden
België In België vaardigde de FOD Justitie in maart 2023 niet-bindende aanbevelingen uit voor de omgang met transgender en genderdiverse gedetineerden. Deze richtlijnen worden ook vermeld in de Criminal Detention Database van het Europees Bureau voor de grondrechten, waarin zij zijn opgenomen bij de Belgische normen voor de behandeling van kwetsbare gedetineerden. Bij de plaatsing geldt als uitgangspunt dat de gedetineerde wordt ingedeeld in een afdeling die in beginsel overeenkomt met de genderidentiteit, waarbij tevens rekening wordt gehouden met de orde en veiligheid van de betrokken gedetineerde, medegedetineerden en de inrichting. Een medische behandeling of wijziging van de officiële geslachtsregistratie kan bij de plaatsing worden meegewogen, maar is niet doorslaggevend.
Nederland In Nederland bestaat geen afzonderlijke wettelijke regeling die voorschrijft waar transgender gedetineerden moeten worden geplaatst. De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) gaat in beginsel uit van het formele geslacht zoals vermeld op het identiteitsbewijs. Wanneer bekend is dat iemand transgender is of in transitie is, wordt maatwerk toegepast. Bij de plaatsing wordt rekening gehouden met fysieke kenmerken, veiligheid, zorgbehoeften en de voorkeur van de gedetineerde.
<Rechtsgeleerde Pauline Jacobs stelde in 2022 vast dat er geen specifiek DJI-beleid bestond voor de omgang met transgender gedetineerden en wees op de noodzaak van maatwerk bij hun behandeling. Het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten (NJCM) bekritiseerde in 2024 het ontbreken van specifieke wet- en regelgeving voor de plaatsing van transgender gedetineerden en stelde dat de toenmalige Nederlandse praktijk niet aansloot bij de European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT)-normen.
Onderzoek en knelpunten In onderzoek wordt erop gewezen dat het benaderen van LHBTIQ+-gedetineerden als één kwetsbare groep onvoldoende rekening kan houden met individuele verschillen en behoeften.
Het onderzoek naar LHBTIQ+-personen in detentie is bovendien beperkt en ongelijk over de verschillende groepen verdeeld. Voor België stelde Vanliefde De Keyser vast dat de ervaringen van LHBTIQ+-gedetineerden lange tijd nauwelijks empirisch waren onderzocht. Haar onderzoek uit 2026 richtte zich op lesbische, homoseksuele, biseksuele, transgender en intersekse personen in Belgische gevangenissen.
In Nederland was het onderzoek van Pauline Jacobs uit 2022 het eerste dat specifiek de positie van transgender gedetineerden onderzocht.
Referenties
Categorie:Gevangenis Categorie:Lhbt