Henderik Oostinjer (Nieuwe Pekela, 14 november 1858 - Ter Apel, 8 mei 1924) was een Nederlands waterbouwkundige. Hij was de zoon van Rense Oostinjer, landbouwer en Johanna Hogen Esch. Oostinjer bleef ongehuwd.

Hij volgde de HBS opleiding in Groningen, waarvoor hij in 1877 slaagde. Hij studeerde aan de Polytechnische School te Delft en hij liep in 1881 stage als hulpopzichter bij de aanleg van strandhoofden bij Petten. Hij behaalde in Delft in 1881 het diploma van civiel ingenieur en in 1882 van bouwkundig ingenieur. In april 1884 heeft hij een lezing gegeven over openbare verlichting (gasoven elektrisch) voor het genootschap Architectura et Amicitia in Amsterdam. Het jaar daarna voor hetzelfde genootschap over ”Het verband tusschen wiskunde en kunst in het algemeen”. In 1891 solliciteerde hij naar een betrekking als gemeente-architect in Delft. Daarna stichtte hij een technisch bureau te Stadskanaal. In 1892 kreeg hij een aanstelling in Nederlands-Indië en werd benoemd tot adspirant ingenieur en in 1893 tot ingenieur 3de klasse bij de Waterstaat en 's lands Burgerlijke Openbare Werken (BOW), en was werkzaam achtereenvolgens te Tegal, Djokjakarta, Semarang (in 1894) en Bodjonegoro. In eerste instantie was hij betrokken bij de werken in de Solo-vallei. In maart 1896 keerde hij weer terug in Nederland.

Hij vestigde zich weer in Stadskanaal, later in Ter Apel, als raadgevend ingenieur. Oostinjer heeft zich bezig gehouden met de verbetering van de waterstaatkundige toestand van een deel van Drenthe. Als raadgevend ingenieur slaagde hij er in verschillende veenschappen tot stand te brengen, namelijk, “het Zwartenberger veen", waarvan het reglement werd vastgesteld bij besluit van de Staten van Drenthe van 14 Juni 1903; "het Roswinkeler veen" (idem van 11 Juli 1905) waarvan een kaartje met beschrijving verscheen in De Ingenieur (1906), en het veenschap "het Zwartenberger Compascuum" (besluit van 13 oktober en Juli 1915) waarvan eveneens een beschrijving met kaartje verscheen in De Ingenieur (1916). Verder verschenen van zijn hand op dit gebied in dit tijdschrift "Verbetering van de afwatering van Oostennoer" (1899), "Groninger veenkoloniën" (1910) en "Negenmarkenkanaal" (1911).

Zijn medewerking aan De Ingenieur beperkte zich trouwens niet tot onderwerpen betreffende de waterstaat van Drenthe en Groningen. Op waterbouwkundig gebied schreef hij ondermeer: "Uitbreidingswerken der haven van Duinkerken", "Vaste stuwdam in verband met de voorgenomen opstuwing der Solo-rivier", waar hij onder andere de Stoney-schuiven beschrijft. Hierop is een uitgebreide reactie gekomen van ir. Déking Dura. Andere artikelen zijn een vertaling van een artikel van Herzka over "Stuwmuren" (1898), "Waterverbruiksmetingen bij de suikerrietcultuur", "Waterverlies bij schutsluizen" (1899). Verder gaf hij nog enige bijdragen op het gebied van wiskunde en mechanica. In het geheel werden tussen 1896 en 1916 niet minder dan 22 artikelen van zijn hand geplaatst, op wiskundig gebied zijn zijn publicaties over bogen van spoorwegen relevant, die zijn ook in het Duits verschenen. Verder heeft hij nogal wat bouwkundige artikelen uit het Duits vertaald.

Hij woonde in Ter Apel, gemeente Vlagtwedde, maar is in de stad Groningen overleden.

Publicaties van Oostinjer

Vertalingen door Oostinjer

Categorie:Nederlands waterbouwkundige