Charlotte Hedwig (Lotte) Hahm (Dresden-Löbtau, 23 mei 1890 – West-Berlijn, 17 augustus 1967) was een Duits lesbisch activiste en clubleidster.
In het vrije Berlijn van de Weimarrepubliek werd ze bekend als leidster van , een vereniging voor lesbiennes die ze in 1926 oprichtte. Ze organiseerde met grote regelmaat bals en feesten, onder meer specifiek voor 'travestieten'. Daarnaast zette ze zich in voor de emancipatie van travestieten en lesbiennes.
Samen met zakenpartner en levensgezel Käthe Fleischmann opende ze in 1931 en 1932 twee cafés. De opkomst van het nationaalsocialisme betekende echter het einde van deze uitgaansgelegenheden. Hoewel ook Damenklub Violetta in 1933 werd verboden, zette Hahm de activiteiten nog enige tijd in het geheim voort.
Na het einde van de Tweede Wereldoorlog opende ze opnieuw een café en organiseerde ze feesten, maar kon haar vroegere succes niet evenaren. Ze overleed in West-Berlijn in 1967.
Levensloop Charlotte Hedwig Hahm werd geboren op 23 mei 1890 in Löbtau, thans onderdeel van de stad Dresden. Ze was de dochter van koopman Carl Hahm en Alwine Wagner, en groeide op in een protestants gezin met vier kinderen. Haar jongste broer Joachim Karl werd geboren als Agnes, maar hij liet in 1916 zijn naam en geslacht op zijn geboorteakte wijzigen. Volgens historici Ingeborg Boxhammer en Christiane Leidinger was hij mogelijk intersekse of identificeerde hij zich als transgender. Deze keuze heeft volgens hen wellicht ook invloed gehad op hoe Hahm haar eigen gender ervaarde.
Na het afronden van een kantooropleiding werkte Hahm tussen 1913 en 1916 als klerk. In 1920 opende ze een postorderboekhandel. Kort nadat haar moeder in maart 1920 overleed, verhuisde Hahm naar Berlijn.
In deze periode ontwikkelde zich in Berlijn een sterke LHBTI-subcultuur. In december 1926 richtte ze op, een vereniging voor lesbiennes. Het woord 'Dame' was in deze periode een codewoord voor 'lesbienne' en de kleur paars staat symbool voor het lesbianisme.
In 1927 werd door het tijdschrift omschreven als 'toonaangevend'. De club had ruim 400 leden en onder meer comédienne Claire Waldoff en actrice Senta Söneland zouden frequent aan activiteiten deelnemen. Hahm organiseerde onder meer lezingen, nachtelijke stoomboottochten, soesjes-eetwedstrijden, modeshows, 'polonaises met hoeden' en cabaretavonden waarin ze zelf optrad. De feesten werden tussen 1926 en 1928 gehouden in het aan de en daarna onder meer in dansgelegenheid aan de . Wat onderscheidde, waren de 'travestietenavonden' die met enige regelmaat door Hahm werden georganiseerd. In deze periode verwees het woord 'travestiet' zowel naar crossdressers, als naar personen met een transidentiteit.miniatuur|Advertentie voor Damenklub Violetta (1929)|links Promotie Hahm maakte veel reclame voor haar damesclub en werd in advertenties afgebeeld in herenkleding, waaronder in een smoking. Gesteld wordt dat haar modegevoel grote invloed had op de persoonlijke stijl van veel vrouwen.
Tijdschriften als en , waar de advertenties voor haar club in verschenen, werden verkocht bij kiosken, waardoor Hahms beeltenis openbaar zichtbaar was. Hoewel risicovol, onder meer vanwege de die LHBT-pers regelmatig verbood, was een deel van haar succes wellicht ook te danken aan haar openheid. Het tijdschrift noemde haar 'een van de populairste leiders van de homo-erotische vrouwenbeweging in Berlijn'. Activisme miniatuur|Foto van Lotte Hahm met een plakkaat met de tekst (1929) Naast het organiseren van activiteiten werkte ze aan de politieke mobilisatie van de leden. Ze omschreef het als: 'Niet alleen dansen en gezellige evenementen kunnen jullie gelijkheid brengen, maar ook strijd is nodig als jullie aanzien en respect willen hebben. Strijdlust moet jullie harten vervullen en uit jullie ogen stralen.' Ze werd door haar grote inzet beschouwd als de leidster van de lesbische emancipatiebeweging.
Hahm organiseerde lezingen over recente ontwikkelingen in haar damesclub en in de vrouwen- en homobeweging. Haar denkbeelden leken op die van de radicaal-feministische vrouwenbeweging: ze sprak zich uit voor vrouwenrechten en veroordeelde antifeministische aanvallen. Daarnaast was ze een voorstander van de afschaffing van paragraaf 175, die geslachtsverkeer tussen twee mannen verbood.
Begin 1928 werd een oproep gedaan voor de vereniging van travestieten, die vervolgens herhaaldelijk bij Hahm thuis samenkwamen. Deze groep werd in 1929 samengevoegd met een groep van de (B.f.M.). De nieuwe groep hield zich bezig met het organiseren van activiteiten, alsmede met belangenbehartiging en het verlenen van advies. De zichtbaarheid van travestieten in de lesbische pers en hun deelname aan clubs nam in deze periode steeds meer toe. De culturele participatie en vertegenwoordiging van travestieten is mede te danken aan de inzet van Hahm.
Identiteit Hahm identificeerde zichzelf als lesbisch en travestiet. Hoewel ze zich kleedde op een manier die niet paste bij de traditionele vrouwelijke gendernormen, is het volgens historici Ingeborg Boxhammer en Christiane Leidinger niet waarschijnlijk dat ze zich als man identificeerde. Hahm presenteerde zich masculien, wat volgens hen een persoonlijke voorkeur was. Dat ze in enkele gevallen naar zichzelf verwees met een mannelijke naam of in combinatie met een mannelijke beroepstitel, heeft volgens Boxhammer en Leidinger te maken met de "feministisch-lesbische toe-eigeningen van mannelijke (beroeps)rollen of autoriteiten".
In 1929 zette Hahm een correspondentiekring op met als doel gelijkgestemde vrouwen met elkaar in contact te brengen. Hiervoor reisde Hahm naar Hamburg, en mogelijk ook naar Koningsbergen en Dresden, om lokale initiatieven op te zetten. Hahm streefde naar de oprichting van een overkoepelende organisatie die werkte als emancipatiebeweging. Om dit te bereiken richtte Hahm in samenwerking met de B.f.M. in 1930 de op.
Lokale afdelingen sloten zich in de eerste instantie aan bij de B.f.M. en werden vervolgens onderdeel van de . De organisatie had als doel: 'de bevordering van de ideële vriendschap, de vervolmaking van het innerlijke en uiterlijke leven, evenals de organisatie van wetenschappelijke lezingen, in het bijzonder over de gelijkgeslachtelijke liefde.' De organisatie was echter weinig succesvol en tijdschriften stopten met publiceren over haar activiteiten. miniatuur|Advertentie voor activiteiten van Damenklub Violetta en Monbijou (1929)|links
Samenvoeging Monbijou In 1929 werd samengevoegd met de eveneens populaire damesclub . werd geleid door Karl Bergmann, een heteroseksuele man die volgens Hahm de club enkel had opgericht voor zijn eigen financiële gewin. In een artikel dat werd gepubliceerd in september 1929 in het tijdschrift stelde Hahm dat ze van clubleden van eerder de vraag had gekregen de clubs te verenigen, maar had gekozen dit niet te doen om geen ruzie uit te lokken.
Na onenigheid over achterstallige betalingen tussen Bergmann en de uitbater van uitgaansgelegenheid , de plek waar club haar bijeenkomsten hield, werd Bergmann bij de club uit zijn functie gezet. Vanaf dat moment besloot Hahm de clubs te verenigen en werd zij de leider van beide clubs. De organisatie van de dansavonden lag in handen van Käthe Reinhardt die deze functie reeds bij bekleedde en door leden uitdrukkelijk gevraagd was haar werk voort te zetten.
Uitbreidingen miniatuur|Collage van uitgaansgelegenheden voor lesbiennes en homoseksuelen. Linksboven: Monokel-Diele. In deze periode leerde Hahm de joodse Käthe Fleischmann kennen. Fleischmann was getrouwd en had twee kinderen, maar scheidde in 1929 van haar echtgenoot nadat ze Hahm had ontmoet. De twee kregen al snel een liefdesrelatie. In maart 1931 nam Hahm de uitgaansgelegenheid aan de 14 in Berlijn over. Ze baatte dit café uit samen met Fleischmann die de eigenaresse was van het pand. Voor de opening van was Fleischmann restauranteigenaresse, maar moest haar zaak sluiten vanwege het opkomende antisemitisme.
Hahm had het café opgericht als ontmoetingsplek voor 'alle vriendinnen en travestieten'. De bezoekers van kregen, zoals de naam al suggereert, een monocle. Dit accessoire werd geassocieerd met de 'masculiene gentleman'. Het was daarmee een belangrijk symbool voor de masculinisering van vrouwen en een herkenningsteken binnen de lesbische subcultuur.
Bijna een jaar na de opening van , in februari 1932, droeg Hahm het café over en richtte ze zich op de opening van de aan de 26. De naam van het café was een verwijzing naar de film (1931) die gaat over een meisje genaamd Manuela dat verliefd wordt op haar lerares.
Solidariteit Toen in 1931 vijf jaar bestond, organiseerde Hahm een groot feest waarbij ze werkloze vrouwen gratis toegang gaf. De netto-opbrengst van het feest schonk ze aan hen. Hahm was erg solidair met vrouwen die in armoede leefden en ze probeerde hen te betrekken door kortingen op de toegangsprijs te bieden. Ze deed dit zodat 'elke vriendin' aan haar feesten en activiteiten kon deelnemen.
Volgens Hahm was het haar doel ervoor te zorgen dat 'alle vriendinnen' zich op hun gemak voelden en de kans kregen te praten over onderwerpen die hen bezighielden. Ze had hierbij ook aandacht voor vrouwen die een geïsoleerd bestaan leidden: 'Ook degenen onder ons die eenzaam zijn, zullen vermaak vinden in een leuk cabaret en andere verrassingen.'
Hahm was in deze periode een van de weinige vrouwen met een bar voor lesbiennes die in haar eigen levensonderhoud kon voorzien. Daarnaast creëerde ze met haar cafés en clubs werkgelegenheid voor kunstenaars, muzikanten en diverse artiesten. Ze werkte samen met onder meer kunstenaressen Toni Ebel en Elsbeth Killmer, en musici Siegfried Robert, Walter Rosen en Lea Manti. Manti was naast entertainer ook enige tijd manager van de en .
Opkomst nationaalsocialisme Het bestaan van de was van korte duur; in de herfst van 1932 werd het interieur van het café vernield door leden van de Sturmabteilung (SA), de beschermingsdienst van Adolf Hitler, waarna het in januari 1933 werd gesloten. Fleischmann, de eigenaresse van het pand, was joods en werd uiteindelijk gedwongen haar horecavergunning op te geven en haar privébezit ver onder de marktprijs te verkopen.
Na de sluiting van de bleef Hahm in het geheim voortzetten. De club werd hernoemd naar en deed zich voor als sportvereniging. Tot december 1934 organiseerde ze twee keer per week activiteiten onder deze dekmantel. In 1935 werd de vereniging verraden en verboden. Hahm sloot zich daarna aan bij bowlingclub voor lesbiennes ('De vrolijke negen') met wie ze opnieuw dansfeesten organiseerde. Volgens een surveillancedossier organiseerde de club vanaf oktober 1935 vijftien dansfeesten in balzalen in Berlijn-Kreuzberg met tot 250 deelnemers.
Rond 1935 opende Hahm een pension op het eiland Hiddensee aan de Duitse Oostzeekust. Vanwege het frequente bezoek van lesbiennes werd het eiland door het satirische blad in 1932 gekscherend 'Lesbos' genoemd. Ook bij nationaalsocialistische ambtenaren stond Hiddensee als dusdanig bekend. Bij een inval in in juli 1935 verklaarde een getuige dat Hahm op dat moment op Hiddensee verbleef waar zij een pension voor lesbiennes had, waarop de recherchesecretaris concludeerde dat Hahm daar vergelijkbare activiteiten organiseerde. Een verder onderzoek naar door Hahm georganiseerde activiteiten van ‘staatsvijandige zin’ leverde echter geen resultaat op.
Vanaf 1936 werkte Hahm als reizende handelaar in textielgoederen in de regio Groot-Berlijn. De chauffeur die ze had ingehuurd kon zij niet betalen, waarna hij een rechtszaak wegens fraude tegen haar aanspande. Hij omschreef haar als 'uitgesproken pervers, zowel wat betreft haar vrouwelijkheid als haar mannelijkheid.' Eind 1937 werd zij veroordeeld tot een geldboete van 100 Duitse mark en een gevangenisstraf van zes maanden. Deze gevangenisstraf werd begin 1938 omgezet naar een voorwaardelijke straf.
Andere beweringen