Chrodoara van Amay, beter bekend als de heilige Oda van Amay († Amay, 23 oktober, vóór 634) was een Frankisch edelvrouw, die vereerd wordt als heilige in de Rooms-Katholieke Kerk. Door haar huwelijk was ze vermoedelijk hertogin van Aquitanië of Provence. Ze werd begraven in de Collegiale Sint-Joris-en-Sint-Odakerk in Amay, waar in 1977 haar stenen grafkist werd ontdekt, de Chrodoara-sarcofaag. Haar feestdag is op 23 oktober.

Leven en legende Oda van Amay was tot 1977 slechts bekend onder haar gelatiniseerde naam Oda, een naam die meerdere heiligen dragen (zie Oda van Brabant). In januari 1977 werd bij opgravingen in het koor van de Sint-Joris-en-Sint-Odakerk in Amay (nabij Hoei, provincie Luik) een spectaculaire vondst gedaan. Op drie meter diepte werd een gave laat-Merovingische sarcofaag aangetroffen met op het deksel een reliëfafbeelding van een vrouwenfiguur en de inscriptie S[an]C[t]A CHRODOARA ("heilige Chrodoara"). Op de zijkant aan het hoofdeinde van de sarcofaag wordt de overledene nader omschreven: + CHRODOARA NUBELIS MAGNA ET INCLITIS EX SUA SUBSTANCIA DICTAVIT SANCTOARIA + ("Chrodoara, de edelvrouw, ruimhartig en vriendelijk, uit haar eigen rijkdom stichtte ze heiligdommen"). Al snel werd duidelijk dat Chrodoara de echte, Frankische naam was van de in deze kerk al eeuwenlang vereerde Sint-Oda van Amay. De naam Chrodo(h)ara is de vrouwelijke vorm van de mannelijke naam Chrodo(h)ar. Op de sarcofaag is Chrodoara/Oda afgebeeld met abdissenstaf. Of ze werkelijk abdis was in Amay of elders is niet met zekerheid bekend. , 'Le sarcopharge de Sancta Chrodoara à Saint-Georges d’Amay. Essai d’interprétation d’une découverte exceptionnelle', in: Comptes-rendus des séances de l’Académie des Inscriptions et Belles-Lettres, jrg. 123, nr 1 (1979), pp. 10–31 (Digitalisat).

Hoewel sommige schriftelijke bronnen elkaar tegenspreken, valt daaruit op te maken dat deze Chrodoara/Oda een hoogadellijke Merovingische edelvrouw was, die door haar leven en dood indruk maakte. Verreweg de oudste bron is het testament van Adalgisel Grimo uit 634, waarin een aantal schenkingen aan kerken en kloosters worden vermeld, waaronder de Sint-Maximinusabdij in Trier en de Sint-Joriskerk in Amay. Over die laatste kerk wordt vermeld dat de tante van Adalgisel Grimo er begraven ligt. Haar naam wordt echter niet genoemd. Algemeen wordt aangenomen dat deze naamloze tante Chrodoara/Oda is, wier sarcofaag in 1977 ter plekke werd aangetroffen. Oda's dood kon vervolgens worden vastgesteld vóór het jaar 634. Uit de achtste eeuw dateert een vermelding in de oudste vita van de vierde-eeuwse bisschop Maximinus van Trier. Daarin wordt melding gemaakt van een edelvrouw genaamd Chrodohara die nederig bij het graf van Maximinus bad totdat zijn tussenkomst haar zieke voet genas.

Alle andere bronnen over Chrodoara/Oda dateren van eeuwen later. In de kroniek van Sigisbert van Gembloers (1030-1112) wordt Oda van Amay genoemd als de vrouw van hertog Boggis van Aquitanië, wiens Frankische naam vermoedelijk Bodogisel was.Latijnse tekst: Sancta Oda, uxor Boggis ducis Aquitanorum, sanctitate claret in Gallia, quae aecclesias Dei sua ditavit munificentia, et moriens in Leodicensi quievit parochia. Vertaling: "De heilige Oda, echtgenote van Boggis, hertog van Aquitanië, in Gallië bekend om haar heiligheid. Ze verrijkte de kerken van God met haar vrijgevigheid en stierf in de Luikse parochie, waar ze rust vond." Sigisbert noemt daarbij het jaartal 711, wat niet overeenstemt met andere bronnen over Boggis en Oda. Een eveneens twaalfde-eeuwse, maar gedetailleerdere bron is de Vita Landiberti episcopi Traiectensis (Leven van bisschop Lambertus van Maastricht) van de Luikse kanunnik Nicolaas. Daarin wordt Oda aangeduid als amita, dat wil zeggen Lambertus' tante van vaderskant, en als weduwe van hertog Boggis van Aquitanië, die met haar rijkdom verschillende kerken en kloosters stichtte.

De Vita sanctae Odae vidua (Leven van de heilige weduwe Oda), geschreven rond 1245, bevat weinig controleerbare gegevens. Vermeld wordt opnieuw dat zij de vrouw van hertog Boggis van Aquitanië was en dat ze na de vroege dood van haar echtgenoot intrad in een klooster. Uit haar nalatenschap begiftigde ze verschillende kerkelijke instellingen, waaronder de kerk van Amay, waar ze na haar dood werd begraven en waar ze nog steeds bijzondere verering geniet. Volgens de vita werd haar gebeente verheven door de achtste-eeuwse Luiks-Maastrichtse bisschop Floribertus. Een dergelijke elevatio (verheffing tot de eer der altaren) stond in de middeleeuwen gelijk met een heiligverklaring. Mogelijk werd het gebeente van Chrodoara bij die gelegenheid overgeplaatst in de nog bestaande Chrodoara-sarcofaag, waarop zij als heilige wordt aangeduid. De Belgische mediëvist Alain Dierkens meende na de vondst van de sarcofaag dat deze passage in de vita geloofwaardiger is geworden. (2001): 'Is het zegel van Florbert, 'bisschop van Maastricht' (727-736/738) het oudst bekende bisschoppelijke zegel in West-Europa?: Een vergelijkend onderzoek naar bisschoppelijke zegels in de volle middeleeuwen'. In: Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis, deel 4, p. 12 (tekst deels online beschikbaar op books.google.nl; gearchiveerde link).

Sommige hedendaagse historici menen dat de naam van Oda's echtgenoot, Boggis/Bodogisel, op een misinterpretatie berust. Zij vermoeden dat Oda was getrouwd met Bobo/Bodegisel, de zoon van Mummolin van Soissons, hofmeier (maior domus) in Neustrië. Deze Bobo/Bodegisel was hertog (dux) van Provence, niet van Aquitanië. In dat geval zou Oda rond 589 weduwe zijn geworden. Na de dood van haar echtgenoot verhuisde ze naar Amay, waar ze de kerk liet (her)bouwen en in het klooster trad. Gesuggereerd is verder dat Chrodoara/Oda de moeder was van bisschop Arnulf van Metz, en mogelijk de grootmoeder van Hugobert of van zijn vrouw Irmina van Oeren (eveneens een Frankisch heilige). Ze zou daarmee de overgrootmoeder zijn van Plectrudis, de vrouw van Pepijn van Herstal, maar het 'bewijsmateriaal' dateert veelal uit de hoge middeleeuwen, te laat om betrouwbaar te zijn.

Nalatenschap thumb|Dood van Sint-Oda, reliëf Odaschrijn, Amay De nagedachtenis aan Sint-Oda en de verering van haar relieken werd vanaf de tiende eeuw bevorderd door het kapittel van seculiere kanunniken dat verbonden was aan haar grafkerk, de Collegiale Kerk van Sint-Joris en Sint-Oda in Amay. De in 1977 in die kerk aangetroffen Chrodoara-sarcofaag bevindt zich nog steeds op de oorspronkelijke plaats in het koor van de kerk, maar is door een glazen afdekplaat en verlichting in de grafkuil zichtbaar gemaakt. Van deze kalkstenen sarcofaag zijn ten minste twee gipsafgietsels gemaakt, waarvan er een wordt bewaard in de gipscollectie van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis in Brussel (Afgietselwerkplaats), en de ander wordt tentoongesteld in het Centre Charlemagne in Aken.

De sarcofaag is waarschijnlijk al sinds de tiende of elfde eeuw leeg, toen het gebeente van Chrodoara/Oda overgeplaatst werd in een reliekschrijn. Het oorspronkelijke reliekschrijn bestaat niet meer. Het werd vermoedelijk in het derde kwart van de twaalfde eeuw vervangen door een rijk versierd Maaslands schrijn, waarvan de twee puntgevels bewaard gebleven zijn in de collecties van het British Museum in Londen en het Walters Art Museum in Baltimore. Het met filigraanwerk, bruinvernis, champlevé-emaille en edelstenen versierde gevelstuk in Londen toont drie reliëffiguren: de heilige Oda (S[an]C[t]A ODA) en twee allegorische figuren die vroomheid (RELIGIO) en vrijgevigheid (ELEMOSINA) voorstellen. 'Object nr. 1978,0502.7' op britishmuseum.org, geraadpleegd 24 februari 2026.

Omstreeks 1250 gaf het kapittel van de kerk te Amay opdracht voor de vervaardiging van een nieuw reliekschrijn. Mogelijk was het twaalfde-eeuwse schrijn beschadigd geraakt of werd het ouderwets gevonden. Het nog bestaande dertiende-eeuwse Odaschrijn is de belangrijkste kunstschat van de Sint-Joris-en-Sint-Odakerk en wordt sinds 2017 tentoongesteld in de gerestaureerde kapittelzaal. Op de gevelstukken van het schrijn zijn in haut-reliëf Sint-Oda en Sint-Joris afgebeeld, beide in gedreven zilver. Aan de lange zijden van het schrijn, staan onder een arcade met dubbele zuilen zilveren reliëfbeeldjes van de twaalf apostelen. De dakgevels van het schrijn zijn aan elke zijde verdeeld in drie panelen, elk met afbeeldingen van belangrijke gebeurtenissen in het leven van de twee heiligen. Het schrijn bevat de beenderen van een vrouw, volgens de overlevering Sint-Oda, en een kistje met de resten van een houten stok – mogelijk de abdissenstaf waarmee Chrodoara op de sarcofaag is afgebeeld. Twee twaalfde-eeuwse, uit Spanje afkomstige doeken, die voorheen in het schrijn bewaard werden als omhulsels van de relieken, zijn thans te zien in de schatkamer van de kathedraal van Luik.

In de Sint-Pauluskathedraal in Luik is Sint-Oda afgebeeld als onderdeel van een laat-negentiende-eeuwse muurschildering van Maaslandse heiligen door Adolphe Tassin. In haar rechterhand draagt ze een broodmand en de volgens de overlevering door haar gestichte kerk van Amay. Met de andere hand deelt ze brood uit aan de armen. Naast haar staat de kleine Jezus, die zich volgens de legende aan haar openbaarde in de gedaante van een bedelaar.

Zie ook Oda van Brabant, kluizenares en heilige Oda van Saksen, Oost-Frankische koningin, plaatselijk als heilige vereerd

Categorie:Merovingisch Huis Categorie:Hertog van Aquitanië Categorie:Merovingisch heilige Categorie:Belgisch heilige of zalige Categorie:7e-eeuws abt Categorie:Persoon in de Nederlanden in de 6e eeuw Categorie:Persoon in de Nederlanden in de 7e eeuw