Het Odaschrijn, ook wel (reliek)schrijn van Sint-Oda en Sint-Joris, is het middeleeuwse reliekschrijn van de heilige Oda van Amay en Joris van Cappadocië, dat bewaard wordt in de Collegiale Sint-Joris-en-Sint-Odakerk in de Belgische stad Amay (bij Hoei). Het met zilver en verguld messing beklede en rijk versierde schrijn dateert uit het midden van de dertiende eeuw. Van de twaalfde-eeuwse voorganger van dit schrijn zijn alleen de twee puntgevels bewaard gebleven in de collecties van het British Museum in Londen en het Walters Art Museum in Baltimore. Deze behoren tot de meesterwerken van de Maaslandse edelsmeedkunst. Het schrijn in Amay behoort tot de latere werkstukken van de Maaslandse ateliers, toen deze al over hun hoogtepunt waren. Het Odaschrijn staat op de lijst van roerend cultureel erfgoed van de Franse gemeenschap in België. 'Châsse de sainte Ode et de saint Georges' op patrimoineculturel.cfwb.be, geraadpleegd 28 februari 2026.

Geschiedenis Voorgeschiedenis: graf en sarcofaag van Chrodoara Over de zesde/zevende-eeuwse heilige Oda van Amay, ook bekend als Chrodoara, is weinig met zekerheid bekend. Ze was een Frankische edelvrouw, die door haar huwelijk vermoedelijk hertogin van Aquitanië of Provence was. Haar echtgenoot, volgens sommige bronnen Boggis/Bodogisel, stierf vrij jong, waarna Oda als weduwe terugkeerde naar haar familiebezittingen in de Maasstreek. Daar wijdde ze zich, aldus de legende, aan goede werken en het stichtten van kerken en kloosters. Ze werd begraven in de mogelijk door haar gestichte Sint-Joriskerk in Amay, waar in 1977 haar stenen sarcofaag werd ontdekt, drie meter onder de vloer van het priesterkoor.

De vondst van de Chrodoara-sarcofaag bevestigde voor een deel de spaarzame gegevens die over haar bekend waren. De oudst bekende schriftelijke bron is het testament van Adalgisel Grimo uit 634, waarin een aantal schenkingen aan kerken en kloosters worden vermeld, waaronder de Sint-Joriskerk in Amay. Over die laatste kerk wordt vermeld dat de tante van Grimo er begraven lag, waarbij haar naam niet genoemd wordt. Door de vondst van de sarcofaag van Chrodoara kwam dit bericht in een nieuw licht te staan. Door archeologen en kunsthistorici kon worden vastgesteld dat de sarcofaag uit de eerste helft van de achtste eeuw dateert, vermoedelijk uit omstreeks 730. (1979): 'Le sarcopharge de Sancta Chrodoara à Saint-Georges d'Amay. Essai d'interprétation d'une découverte exceptionnelle', in: Comptes-rendus des séances de l'Académie des Inscriptions et Belles-Lettres, jrg. 123, nr. 1, pp. 10–31 (online tekst op persee.fr). Dat betekent dat Chrodoara/Oda ongeveer een eeuw na haar overlijden − wat gezien het testament van Grimo vóór 634 moet hebben plaatsgevonden − werd herbegraven in een rijk versierde en van inscripties voorziene sarcofaag, waarop ze als abdis is afgebeeld en als heilige ("sancta") wordt aangeduid. De herbegraving van Chrodoara/Oda lijkt te kloppen met een mededeling in de oudste vita van Lambertus van Maastricht over de verheffing van haar gebeente door de Luiks-Maastrichtse bisschop Floribertus (ca. 685 - 736/738). Een dergelijke elevatio (verheffing tot de eer der altaren) stond in de middeleeuwen gelijk met een heiligverklaring. De inscriptie op de sarcofaag bevestigt tevens de legendarische gulheid van Oda met betrekking tot de ondersteuning van kerkelijke instellingen.

Twaalfde en dertiende eeuw: eerste en tweede schrijn Dat de sarcofaag leeg werd aangetroffen heeft te maken met het feit dat de relieken van Sint-Oda op een later tijdstip, vermoedelijk in het derde kwart van de twaalfde eeuw, zijn overgeplaatst naar een nieuwe behuizing, een kostbaar reliekschrijn in Maaslandse stijl, dat toen net gereedgekomen was. Van dit schrijn zijn slechts de twee gevelstukken bewaard gebleven in buitenlandse museale collecties, het ene in Londen, het andere in Baltimore.

Over de ontstaansgeschiedenis van dit schrijn is weinig met zekerheid bekend. Vermoed wordt dat enkele onderdelen hergebruikt zijn van een ouder schrijn of retabel. Het centrale Christusreliëf op de Baltimore-gevel is vrijwel zeker hergebruikt, wat te zien is aan de inkorting aan de bovenzijde. De Franse kunsthistoricus Philippe Verdier (1981) dateerde de Christus in de elfde eeuw. Zijn Belgische collega Albert Lemeunier (1989) meende dat het reliëf in het begin van de twaalfde eeuw tot stand was gekomen. Het is goed mogelijk dat het reliëf uit Baltimore al meer dan een halve eeuw oud was toen het werd aangepast voor hergebruik.

Waarom het twaalfde-eeuwse schrijn al na minder dan een eeuw werd vervangen, is niet bekend. Mogelijk was het beschadigd geraakt tijdens eens belegering of plundering (Luiks-Brabantse oorlogen?) of tijdens een zogenaamde 'noodprocessie', waarbij het reliekschrijn van de plaatselijke heilige in processie werd rondgedragen om omheil (ziektes, plagen, hongersnoden) af te wenden. Een andere mogelijkheid is dat men behoefte had aan een schrijn waarop de tweede patroonheilige van de kerk, Sint-Joris, een plaats zou krijgen. Opvallend is dat enkele verwante schrijnen, het Hadelinusschrijn in Wezet en het Domitianusschrijn en Mengoldusschrijn, beide in Hoei, ook onderdelen van schrijnen uit verschillende perioden combineren. Mogelijk was een middeleeuws reliekschrijn een lopend project, waar voortdurend aan gewerkt werd en waarvan onderdelen soms vervangen werden. In Amay koos het kapittel er echter voor om omstreeks 1240-1250 een geheel nieuw schrijn te laten vervaardigen.

Het oude schrijn is waarschijnlijk kort daarna ontmanteld, waarbij de twee gevelstukken hergebruikt werden als individuele reliekhouders voor een reeks heiligen, waarvan men kennelijk (kleine) relieken bezat. Deze werden bij beide gevels ingebouwd in een achttal minuscule compartimentjes in de omlijsting van de gevel. Bij de Christusgevel waren dat relieken van Bernardus van Clairvaux, Benedictus van Nursia, Augustinus van Hippo, Gregorius van Tours, paus Silvester I, Mengold van Hoei, de Onschuldige Kinderen en Dionysius van Parijs. Bij de Odagevel ging het om relieken van vrouwelijke heiligen: de elfduizend metgezellinnen van Ursula van Keulen, verder Elisabeth van Thüringen, Maria en Agnes. Dat deze relieken geen verband hielden met de afbeelding op de reliekengevel, deerde blijkbaar niet. Over de plaats van deze reliekhouders in de kapittelkerk van Amay en hun eventuele functie in de liturgie is niets bekend.

Na 1797: gescheiden wegen thumb|Het schrijn in 1924 In de Franse tijd (1794-1814) was Amay, samen met de rest van het Prinsbisdom Luik en de Zuidelijke Nederlanden, geannexeerd door de Eerste Franse Republiek. Op last van de Franse overheid werden alle geestelijke instellingen in 1797 opgeheven, ook het kapittel van Amay. Daarbij werd de kapittelkerk enige tijd aan de eredienst onttrokken en raakte de kerkschat verspreid. Het dertiende-eeuwse schrijn verbleef waarschijnlijk enige tijd in Paderborn, waar het samen met de rest van de kerkschat in veiligheid was gebracht. Daarna keerde het terug naar de voormalige kapittelkerk van Amay, die inmiddels parochiekerk was geworden. Daar bevond het zich lange tijd in een afgesloten altaarkast; het werd slechts zelden aan het publiek getoond. Omstreeks 2000 vond een beperkte restauratie plaats door het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (KIK), die voornamelijk bestond uit een grondige reiniging en de versteviging van enkele losgeraakte onderdelen. Van grotere ingrepen, zoals het rechtzetten van scheefgezakte panelen en zuiltjes, werd bewust afgezien om de historiciteit van het schrijn niet teveel aan te tasten.Dewanckel (2004/2005), pp. 325-329. Sinds 2017 wordt het schrijn permanent tentoongesteld in de gerestaureerde kapittelzaal.

Vermoedelijk zijn de beide reliekgevels van het eerste Odaschrijn in of kort na de Franse tijd in particuliere handen gekomen. Hoe dat in zijn werk is gegaan, is niet meer na te gaan. In 1862 bevonden de panelen zich in de collectie van de Engelse zakenman en collectionneur Hollingworth Magniac van Colworth House, Sharnbrook, Bedfordshire. Diens zoon Charles Magniac liet ze in 1892 veilen bij Christie's in Londen. In 1897 werden ze opnieuw geveild bij Hôtel Drouot in Parijs. In 1900 werden ze gescheiden te koop aangeboden door de Frans-Amerikaanse kunst- en antiekhandelaar Jacques Seligmann. Het Christuspaneel werd omstreeks 1900 aangekocht door de Amerikaanse verzamelaar Henry Walters, die het in 1931 overdroeg aan het naar hem genoemde Walters Art Museum in Baltimore (inventarisnr. 57.519). Het Odapaneel werd in 1912 verworven door de Duits-Britse diamanthandelaar en kunstverzamelaar Julius Wernher. Via zijn familie belandde het in 1978 in het British Museum in Londen (inventarisnr. 1978,0502.7), waar het deel uitmaakt van de permanent tentoongestelde collectie. 'Object nr. 1978,0502.7' op britishmuseum.org, geraadpleegd 24 februari 2026.

Beschrijving Gevels twaalfde-eeuwse schrijn

De twee gevelstukken van het twaalfde-eeuwse Odaschrijn in Londen en Baltimore tonen de kenmerken van een romaans schrijn uit de bloeitijd van de Maaslandse edelsmeedkunst omstreeks 1170. Beide panelen hebben de vorm van een puntgevel en bestaan uit een eikenhouten kern bekleed met platen van deels verguld zilver of koper en kleine hoeveelheden brons en lood. Daarop zijn verschillende edelsmeedtechnieken toegepast, zoals drijf- en repousseerwerk, pointilleerwerk, filigraanwerk, stempelwerk, graveerwerk, bruinvernis, champlevé-email en inlegwerk met zilveren kogeltjes en bergkristallen. De achterkanten van de gevels bevatten boorgaten en afgezaagde houten pinnen, waaruit blijkt dat ze ooit aan de lange zijden van een schrijn waren bevestigd.

Odagevel Het Londense gevelstuk is 58,3 cm hoog, 38 cm breed en 6,5 cm dik. Het centrale deel van het gevelstuk toont onder een drielobboog drie reliëffiguren in gedreven zilver, geplaatst in een nis, alles uit één stuk zilver. In het midden staat de heilige Oda (met Latijnse inscriptie S[an]C[t]A ODA), geflankeerd door twee kleinere allegorische figuren die de vroomheid (RELIGIO) en de vrijgevigheid (ELEMOSINA) verbeelden. Alle drie hebben aureolen van bruinvernis. De zomen van de gewaden en de gordels zijn versierd met pointilleerwerk of bruinvernis. Oda houdt in haar linkerhand een rechthoekig geslepen cabochon van bergkristal, mogelijk een boek voorstellend. De abtsstaf die ze vermoedelijk met haar andere hand vasthield, is niet meer aanwezig. De zwikken boven de drielobboog zijn gevuld met koperen plaatjes versierd met bruinvernis, afgewisseld door verguld koperen plaatjes met inlegwerk van ronde of ovaal geslepen cabochons met zilveren balletjes. Het centrale paneel wordt omgeven door een dubbele omlijsting. De binnenste omlijsting bestond oorspronkelijk uit een doorlopende koperen lijst met een gestempeld rank- en gebladertemotief. Hierin zijn later (in de dertiende eeuw) in koper gevatte uitsparingen gemaakt voor relikwieën. De acht reliekencompartimenten worden afgedekt met doorzichtige hoornplaatjes en bevatten kleine perkamentstrookjes (tituli) met de herkomst van het reliek. De buitenste omlijsting bestaat afwisselend uit plaatjes met kleurig email (voornamelijk cloisonné) en plaatjes met inlegwerk van cabochons en zilveren balletjes.

Christusgevel