Cathelyne Verpoort (soms ook Catheline of Cerpoort), alias 'Calle Bezems' (? – Brugge, 1634) was een inwoner van Brugge en een slachtoffer van de heksenvervolging in Europa. Samen met onder andere Mayken Luucx, Mayken Karrebrouck en Catheline Ide werd ze tijdens een reeks heksenprocessen in Brugge in het jaar 1634 schuldig bevonden aan hekserij en tot de dood veroordeeld. Na haar dood groeide ze uit tot een legendarische figuur en sinds 1984 leeft haar naam voort in de Brugse reuzencultuur.
Leven in Brugge Waar Cathelyne is geboren, is niet geweten. Ze was de dochter van Wouter Verpoort en huwde met een man genaamd Pieter Dhondt. Zeker in haar latere leven woonde ze in Brugge, eerst in het ‘Bezemstraetkin’,Het is onduidelijk op welke hedendaagse straat dit slaat, aangezien verschillende Brugse straten deze bijnaam droegen. en later op Sint-Gillis. Haar bijnaam ‘Calle Bezems’ ontstond doordat ze bezems verkocht om in haar levensonderhoud te voorzien.
Vanaf haar latere leven kreeg ze structureel te maken met beschuldigingen van hekserij. Uit de verklaringen die ze later voor de rechtbank aflegde, weten we dat Cathelynes leven in die periode getekend werd door armoede en sociaal isolement. Tegen de rechters zei ze dat “meer personen dan zij noemen kon achter haar toveresse riepen en dat ze geschuwd werd als de pest en niets kon verkopen en verging van armoede.”
Toen ze ongeveer vijftig jaar was, zou ze publiekelijk voor ‘tooveresse’ zijn uitgescholden geweest door haar stiefzoon Claeys Dhont. Na dit incident was ze in shock naar huis gelopen, waar ze had geprobeerd om zich te verhangen. De buren hadden haar nog net op tijd kunnen tegenhouden. Naar eigen zeggen kreeg Cathelyne later enorm veel spijt van het feit dat ze zich van het leven had willen beroven.
Het lijkt erop dat ze in de laatste jaren van haar leven niet meer rustig over straat kon lopen. Ze werd dikwijls nageroepen; één keer zou ze zelf door een timmerman in elkaar geslagen zijn geweest, op de melkmarkt bij de Carmersbrug.
Ergens in deze periode zouden andere stedelingen haar ook eens in water hebben geworpen, waarschijnlijk bij wijze van geïmproviseerde waterproef. Cathelyne leefde dus op gespannen voet met verschillende andere stedelingen en kreeg regelmatig te maken met verschillende vormen van mishandeling.
Verklikt als heks Sowieso was de sfeer in Brugge in de jaren 1630 erg onrustig. Er hing oorlogsdreiging in de lucht, de pest waarde rond, en de stad werd al een tijdje geteisterd door slechte weersomstandigheden en daaraan gerelateerde hongersnood. In 1634 kookte alle opgebouwde spanning over: inwoners begonnen hun pijlen te richten op de mensen die ze verantwoordelijk achtten voor al de tegenslag die men in de stad meemaakte. Het gevolg was een reeks heksenprocessen zoals Brugge er voordien nog geen gekend had.
Cathelynes noodlottige levenseinde werd in gang gezet toen de eerste verdachte van deze heksenprocessen in het vizier van de rechtbank kwam. Op Sint-Jansdag in 1633 kreeg Mayken Karrebrouck een bezoek van de griffier van de Brugse Vierschaar omdat ze ervan werd verdacht haar buurmeisje vergiftigd te hebben. Een half jaar later werd deze Mayken opgepakt en ondervraagd. Ze verklikte een zekere Mayken Luucx (ook gekend als Mayken Sobers), die op haar beurt de naam van Cathelyne Verpoort opgaf, weliswaar na uren foltering met de halsband. Ze zei dat ‘Calle Bezems’ de reputatie had een heks te zijn en dat ze af en toe deelnam aan een heksensabbat.
Gevangengenomen Nadat haar naam was vermeld, in juni 1634, werd Cathelyne Verpoort direct opgepakt en gevangengenomen. Ze was toen rond de zestig jaar oud.
Op 19, 20 en 21 juni werden er getuigenverhoren gehouden, die extra bezwarend feitenmateriaal tegen Cathelyne moesten opleveren. Verschillende getuigen beschuldigden haar ervan dat ze mensen behekste door bezems aan hen te verkopen. Hierna viel het proces even stil werd Cathelyne nog een maand in gevangenschap gehouden terwijl drie andere vrouwen - Mayken Karrebrouck, Mayken Luucx en Catheline Ide - voor hekserij werden terechtgesteld. De getuigenverhoren werden pas hernomen op 18 juli.
Cathelyne werd zelf ook verhoord. Op 29 juli bekende ze dat ze eens door haar stiefzoon was uitgemaakt voor tovenares (zie hierboven). Dit werd door de rechters geïnterpreteerd als een bekentenis en als genoeg reden om haar diezelfde avond nog te onderwerpen aan een verhoor onder foltering.
Gefolterd en ter dood veroordeeld miniatuur|371x371px|Een houtsnede uit het Compendium Maleficarium (1608) illustreert hoe heksen zogezegd bijeenkwamen met de duivel tijdens een heksensabbat. In de tijd waarin Cathelyne leefde, beïnvloedden dergelijke demonologische beelden het concept van hekserij zeer sterk. De magie die in het alledaagse leven van de 'gewone' mens voorkwam, zag er echter heel anders uit. De zware beproeving begon omstreeks 21.00 uur en vond plaats in de pijnkelder van het Steen op de Burg. Zoals gebruikelijk bij heksenprocessen werd Cathelyne de halsband omgedaan. In de eerste twee uur van de foltering herhaalde ze meerdere malen haar onschuld, aanriep ze de bescherming van God en benadrukte ze belogen geweest te zijn door haar kinderen. Ze zei ook dat ze de vragen van de rechters, die uitgingen van een heel specifiek en demonologisch beeld van hekserij, niet begreep.
Rond 23.30 uur zei ze:
“ghijlieden zijt gheweldich hart op mij; Ick ben een menssche.”
Tot 01.00 uur slaagde Cathelyne erin om alles volledig te ontkennen, zelfs onder de druk van de listige vragen en de pijn van de halsband. Toen de rechters daarna doorvroegen naar haar eerdere poging om zichzelf te verhangen, werden haar antwoorden ambiguer. Ze zei dat ze toen een klein zwart figuurtje had gezien, dat haar ertoe had aangespoord om tot zelfdoding over te gaan.
Dit was koren op de molen van de rechters, die de halsband verder aanspanden en nog meer op de spankoorden sloegen. Desondanks bleef Cathelyne zich verzetten. Pas rond 7.00 uur in de ochtend brak ze uiteindelijk. Tegen dan was ze immers al tien uur lang gefolterd geweest. Ze ging steeds meer mee in het ondervraagscenario van de rechters en bekende alle beschuldigingen die uit de getuigenverhoren waren voortgekomen. Om 09.45 uur werd ze ten slotte uit de halsband bevrijd.
De dag erop, op 31 juli, ontving Cathelyne haar vonnis. Net als Mayken Luucx, Mayken Karrebrouck en Catheline Ide zou ze worden terechtgesteld. Ze werd op de Brug gewurgd aan een paal, waarna haar lijk verbrand werd. In Brugge was ze de laatste vrouw die voor hekserij verbrand werd.
Tweede leven als volksfiguur en reuzin Het verhaal van ‘Calle Bezems’ bleef verteld worden, en transformeerde van een echte gerechtelijke zaak naar een legende.
In 1984 herrees ze als reuzin tijdens de zesde Boterbloemfeesten van Westkapelle.Het is niet ongebruikelijk dat lokale heksen aan de basis liggen van een reuzenfiguur. Heusden-Zolder heeft bijvoorbeeld een reuzin die gebaseerd is op de Putheks. Haar beeltenis werd rondgedragen in een stoet, samen met enkele andere lokale en minder lokale reuzen.
In 2022 inspireerde het verhaal van Cathelyne de komst van een tweede reuzin, ditmaal in Koolkerke. Het lokale Feestcomité besliste dat de reuzen van de deelgemeente op 4 september nog eens in stoet zouden rondgaan. Aan de reeds gekende reuzen zou Calle Bezems worden toegevoegd, als verwijzing naar het gerucht dat er ooit heksensabbatten zouden hebben plaatsgevonden in Koolkerke. Voorafgaand aan de omgang van de stoet moest Calle Bezems - zoals elke reus - eerst worden gedoopt. Dit gebeurde op 28 augustus met een heus spektakel waarin Calle na 388 jaar symbolisch werd vrijgesproken. De trekkers van dit spektakel waren De Koninklijke Harmonie Vermaak na Arbeid en vertelcollectief de Op-lichters.
Zie ook Heksenlijst Vlaanderen Heksenlijst Brabant Heksenlijst Belgisch Limburg
Categorie:Slachtoffer van heksenvervolging Categorie:Zuid-Nederlands geëxecuteerd persoon (voor 1830) Categorie:Persoon in de Nederlanden in de 17e eeuw Categorie:Geschiedenis van Brugge