Johana (Johanna) Lipke (Eleja, 1903 – 1990) redde samen met haar man Janis (Zanis) Lipke 40 Joden van vervolging in Riga, een vijfde van de 200 Joden die de Holocaust in Letland overleefden. Janis en Johana kregen daarvoor op 28 juni 1966 de erkenning als rechtvaardigen onder de volkeren.

Levensloop Johana Lipke (geboren Novicka) werd in 1903 in Eleja geboren en groeide op in een gezin met zes andere kinderen. Op haar veertigste verjaardag kreeg ze van haar vader te horen dat ze geadopteerd was. In een interview met filmmaker Herz Frank onthulde Johanna dat haar biologische vader de zoon was van graaf Medem van Eleja. Haar moeder, gouvernante op het landgoed van Eleja, had het kind aan haar zus afgestaan. Haar ouders noemden haar biologische vader haar "Amerikaanse oom".

Op twaalfjarige leeftijd was Johana verkoopster in een Joodse winkel vlakbij het treinstation Meitene in Eleja. Later verhuisde het gezin naar een ruim appartement in Riga, aan de Hospitāļu-straat 24. Naast Lets sprak Johanna ook Litouws, Pools, Duits en Russisch. Als kind kon ze ook in het Jiddisch communiceren met haar Joodse vrienden.

Verzet Johana's bijdrage aan de reddingsmissie was van cruciaal belang. Zonder medeweten van de buren, en in strijd met het door de Duitsers vastgestelde quotum van 5 kippen, slaagde Johanna erin tientallen kippen, eenden, kalkoenen, ganzen en konijnen te fokken, evenals varkens en geiten. Ondanks de schaarste tijdens de oorlog slaagde de familie Lipke er zo in voedsel naar de mensen in hun verschillende schuilplaatsen te brengen. Janis bracht ook voedsel en kleding naar de gevangenen van het concentratiekamp Balastdamm, waar ook veel Russische krijgsgevangenen verbleven.

Categorie:Verzet in de Tweede Wereldoorlog