Een kettingbaan is een transportmiddel op rail, waarbij voertuigen (meestal lorries of mijnkarren) door middel van een ketting, aangedreven door een vast aandrijfstation worden voortgetrokken. De lorries zijn niet vast verbonden met de ketting, maar de ketting klemt zich vast bovenop de lorrie. Meestal loopt de ketting daarbij eindeloos (in een lus) rond.

Kettingbanen waren in de 19e en vroege 20e eeuw veel gebruikt als transport in en rond mijnen. Hiermee werden lorries met delfstoffen uit de mijn getrokken en soms bovengronds over enige afstand vervoerd naar een centraal verwerkingspunt, en vervolgens werden de lege lorries via een naastgelegen spoor weer terug vervoerd. Vooral in dagbouwmijnen waar de baan een relatief kort en recht traject met sterk hellingspercentage moest overbruggen, of bij mijnen waar veel mijnschachten in de buurt van (tot enkele kilometers) een centrale kolenwasserij of andere verwerkingsfabriek lagen, was dit een veel gebruikt vervoermiddel. Ondergronds werden kettingbanen minder toegepast, omdat deze zich minder eigenden voor bochtige en vertakkende gangenstelsels.

Werking thumb|Mijnkarren van de voormalige kettingbaan van het Oberpfalzer bruinkoolgebied. De ketting haakt zich vast in de inkeping tussen de twee platen die aan de bovenrand van de lorries is aangebracht. thumb|Ketting in inkeping van een mijnkarretje. Bij een kettingbaan ligt een meestal dubbelsporige, rechte spoorlijn (vaak smalsporig), waarboven zich een ketting bevindt. Op de spoorbaan bevinden zich op regelmatige afstand lorries of mijnkarretjes, waar bovenop een constructie (vaak een sparing of een haak) is gemaakt, waar een ketting zich in vast kan klemmen. De ketting loopt over beide uiteinden over een schijf, maar wordt verder niet door vaste punten ondersteund, de lorries vormen de ondersteuning van de ketting.

Doordat de ketting bij een van de uiteinden aangedreven wordt, worden de mijnkarretjes voortgetrokken, vaak ook langs een helling omhoog. Bij het eindpunt aangekomen loopt de ketting omhoog (omdat de schijf aan het einde hoog opgehangen is) en vaak het spoor iets omlaag, hierdoor komt het mijnkarretje los van de ketting, vaak loopt deze dan op zwaartekracht verder langs het spoor.

Er waren ook kettingbanen waarbij de delfstof op een hoge plek gewonnen werden en naar beneden getransporteerd werden, waarbij de kettingbaan niet aangedreven maar juist beremd werd. Soms werden de opgaande wagens gevuld met water om zo in balans te blijven met de neergaande wagens.

Het is van belang dat er op regelmatige afstand (zo om de 20 meter) nieuwe wagens onder de ketting (ook op het teruggaande spoor) gebracht worden, omdat anders de ketting niet ondersteund werd en deze de grond raakt, met veel slijtage tot gevolg.

Kettingbanen werden opgevolgd door de kabelspoorweg, waarbij in plaats van een ketting een staalkabel, vaak onder de mijnkar tussen de spoorstaven werden gebruikt. Dit komt omdat staalkabels pas aan het begin van de 19e eeuw werden ontwikkeld en aanvankelijk erg duur, zwaar en onbetrouwbaar waren. Bovendien boden kettingen voordelen wat betreft geleiding, eenvoudig in- en uithaken van de last, eenvoudige reparatie en ongevoeligheid voor vuil.

Later werden staalkabels goedkoper en betrouwbaarder, en hebben kabelbanen de kettingbanen verdrongen, op enkele speciale toepassingen na. Kettingbanen zijn ook gevaarlijker (de ketting hangt boven het spoor, het oversteken is lastiger) en arbeidsintensiever (er moet worden gezorgd dat er altijd, op regelmatige afstand, wagens onder de ketting hangen) en het is, vanwege het hoge aangrijpingspunt, lastig om kettingbanen in een boog aan te leggen waarbij de wagens niet door de zijwaartse kracht van de ketting omvallen.

Kettingbanen waren meestal vrij langzaam, tussen de 0,4 en 1,2 m/s (1,4 tot 4,2 km/h) en konden in een werkdag van 10 uur zo'n 600 à 800 ton vervoeren.

Geschiedenis De kettingbanen zijn uitgevonden in de mijnengebieden rond Lancashire.

Voorbeelden

De eerste kettingbaan in de Duitse steenkoolmijnen werd in 1900 aangelegd in de Alten Grube van de Zeche Wattenbacher Kohlenwerk in Söhrewald.

In Saint-Pierre-la-Palud werd in 1850 een pyriet- en kopermijn aangelegd. In de eerste jaren werden alle erts met ezels naar de verwerkingsfabriek in in Saint-Fons vervoerd, maar in 1878 werd er een kettingbaan (trainage á chaîne flottante) aangelegd naar het station Sain-Bel, die in dienst bleef tot sluiting van de mijn in 1972.

Afbeeldingen

Bronnen

Categorie:Kabelspoorweg Categorie:Goederenvervoer per spoor Categorie:Railtechniek