Roberta Elizabeth Marshall Cowell (Croydon (Londen), 8 april 1918 – Hampton (Londen), 11 oktober 2011) was een Brits autocoureur en gevechtspiloot. Ze werd vooral bekend als de eerste Britse transgender vrouw die in 1951 een genderbevestigende operatie onderging. Tijdens de Tweede Wereldoorlog, voor haar transitie, was Cowell lid van een jachtvliegersquadron van de Royal Air Force (RAF) en werd kort krijgsgevangen genomen door de Duitsers. Gedurende haar hele leven beschreef Cowell zichzelf niet als transgender, maar als intersekse, hoewel dit niet geheel overeenkomt met haar biografie.
Levensloop Jeugdjaren Cowell werd als jongen geboren in Londen als een van de drie kinderen van een chirurg en gedecoreerde generaal-majoor Ernest Marshall Cowell. Ze ging op tienjarige leeftijd naar de Whitgift jongensschool en werd fanatiek lid van de automobielclub van de school. Cowell verliet de school op zestienjarige leeftijd om als leerling-vliegtuigingenieur bij General Aircraft Limited te gaan werken, maar vertrok al snel om zich bij de Britse luchtmacht aan te sluiten, waar ze op 4 augustus 1936 waarnemend piloot-officier in opleiding werd. Vanwege luchtziekte werd ze echter al snel ontslagen en ving ze nog datzelfde jaar een studie engineering aan de University College London aan.
Ze deed haar eerste ervaring met de autosport op door stiekem het onderhoudsgebied van de auto's op het Brooklands-circuit binnen te sluipen, gekleed in een monteursoverall, en hulp aan te bieden aan elke coureur of monteur die dat wilde. Ook begon ze met autoracen en al snel won Cowell haar eerste race met de Land's End Trail. In 1939 bezat ze drie auto's en had ze deelgenomen aan de Grand Prix in Antwerpen. Daarnaast behaalde ze voor het begin van de oorlog een privévliegbrevet en voltooide ze alsnog met succes de vliegopleiding op een RAF-basis in Warwickshire.
Tweede Wereldoorlog In december 1940 werd Cowell opgeroepen als tweede luitenant bij de Britse landmacht. Voordat ze als ingenieur in IJsland werd gestationeerd, trouwde Cowell in juni 1941 met haar voormalige klasgenoot Diana Margaret Zelma Carpenter, die ook autocoureur was.
Begin 1942 trad Cowell toe tot de RAF als pilootofficier. Cowell was aanvankelijk lid van een Spitfire-jachtvliegtuigsquadron. Tijdens een verkenningsmissie kwam ze kort voor D-Day onder vuur te liggen van Duitse luchtverdediging. Door een defect zuurstofsysteem verloor Cowell het bewustzijn boven Fruges op een hoogte van bijna 9.500 meter en vloog ze doelloos een uur rond. Ze werd eindelijk wakker en, dankzij radio-instructies van het controlecentrum, bereikte ze in een waas de basis. Een andere keer kon ze op het laatste moment noodlanding maken op een klif aan de Engelse kust toen ze na een operatie zonder brandstof kwam te zitten. Cowell vloog naast de Spitfire ook de Tiger Moth en de Miles M.9 Master. Later stapte Cowell over naar een jachtbommenwerpersquadron.
In november 1944 bevond Cowell zich boven Bocholt, toen de motor en een vleugel van haar jachtbommenwerper, een Hawker Typhoon, werden kapotgeschoten door Duits luchtafweergeschut. Cowell werd kort na haar noodlanding door Duitse troepen gevangengenomen. Na twee mislukte ontsnappingspogingen bracht Cowell enige tijd door in een ondervragingscentrum in de omgeving van Frankfurt. Na enkele weken werd Cowell geïnterneerd in het krijgsgevangenenkamp Stalag Luft 1 in Barth.
Cowell zou ongeveer vijf maanden gevangene blijven en vulde die periode met het geven van lessen in autotechniek aan medegevangenen. In haar biografie beschrijft Cowell het situationele seksuele gedrag dat sommige geallieerde gevangenen in het kamp vertoonden, en haar ongemak toen ze werd benaderd door gevangenen die aannamen dat zij daar ook aan wilde deelnemen. Haar werd de rol van een vrouw aangeboden in een theatervoorstelling van het kamp, maar ze weigerde die, omdat ze dacht dat ze daardoor in de ogen van andere gevangenen homoseksueel zou lijken.
In april 1945 was het Russische Rode Leger het kamp dicht genaderd en in mei verlieten de Duitsers het kamp en lieten de krijgsgevangenen alleen achter. Enkele dagen later werd het kamp bevrijd door de Russen en na een week bracht een Boeing B-17 Cowell en haar medegevangenen terug naar het Verenigd Koninkrijk.
Persoonlijk leven na de oorlog Na het einde van haar militaire dienst richtte Cowell in 1946 een eigen raceteam op en reed ze Maserati's and Delahaye's. Ondanks professionele successen zoals deelname aan de Brighton Speed Trials en de Grand Prix in Rouen-les-Essarts stelt ze in haar biografie dat ze op dat moment in een slechte mentale gezondheid verkeerde als gevolg van een posttraumatische stressstoornis. Cowell en Carpenter hadden nog in de oorlog twee dochters gekregen (geboren in juli 1942 en augustus 1944), maar het huwelijk was ongelukkig. Cowell verliet in 1948 haar vrouw en gezin.
Na de scheiding bleef Cowell last hebben van depressie. Ze zocht een vooraanstaande psychiater uit die tijd op, maar was niet tevreden met de hulp die hij bood. Sessies met een tweede psychiater, die in haar biografie alleen wordt beschreven als een Schotse man met een minder orthodoxe benadering van zijn vak, brachten geleidelijk aan aan het licht, in haar eigen woorden, dat haar "onderbewustzijn overwegend vrouwelijk was" en dat "de vrouwelijke kant van mijn natuur, waarvan ik mijn hele leven op de hoogte was geweest en die ik sterk had onderdrukt, veel fundamenteler en dieper geworteld was dan ik had gedacht".
Transitie Vanaf 1950 was Cowell nog publiekelijk levend als man, maar nam ze hoge doses oestrogeen. Ze maakte kennis met Michael Dillon, een Britse arts die de eerste transman was die een falloplastie onderging, nadat ze zijn boek Self: A Study in Endocrinology and Ethics uit 1946 had gelezen. In dit werk werd betoogd dat individuen het recht zouden moeten hebben om van geslacht te veranderen en het lichaam te hebben dat ze wensten. De twee ontwikkelden een hechte vriendschap. Dillon voerde vervolgens een orchidectomie (verwijdering van zaadballen) uit bij Cowell. Geheimhouding was noodzakelijk, omdat de procedure destijds illegaal was in het Verenigd Koninkrijk en geen enkele chirurg ermee instemde om de ingreep openlijk uit te voeren.
Cowell meldde zich vervolgens bij een privégynaecoloog en wist van hem een document te verkrijgen waarin stond dat ze intersekse was. Hierdoor kon ze een nieuwe geboorteakte laten opstellen, waarop haar geregistreerde geslacht werd gewijzigd in vrouwelijk. Op 15 mei 1951 onderging ze een vaginoplastiek. De operatie werd uitgevoerd door sir Harold Gillies, die algemeen wordt beschouwd als een van de grondleggers van de plastische chirurgie, met de hulp van de Amerikaanse chirurg Ralph Millard. Gillies had Michael Dillon geopereerd, maar falloplastiek was destijds een volledig nieuwe procedure, die Gillies had ontwikkeld op basis van zijn ervaring met het reconstrueren van penissen van soldaten die verwondingen hadden opgelopen door explosies.
De voornamen op de geboorteakte van Cowell werden op 17 mei 1951 officieel gewijzigd in Roberta Elisabeth.
Latere jaren en overlijden In 1954 moest Cowell haar bedrijven in kleding en auto-ontwerpen opgeven, die inmiddels waren geopend, en ze kon vanwege haar geslacht niet langer deelnemen aan Grand Prix-races. In maart 1954 kwam het nieuws over haar geslachtsverandering naar buiten, wat wereldwijd publieke belangstelling wekte. Ze verkocht haar verhaal aan Picture Post – daarvoor kreeg ze £8.000, in 2013 gelijk aan £185.000 – en kreeg ze na verschijnen van het artikel naar eigen zeggen honderden huwelijksaanzoeken. In dat jaar werd ook haar autobiografie gepubliceerd.
Ze bleef actief in de autosport en verwierf enige bekendheid door in 1957 de Shelsley Walsh Speed Hill Climb te winnen. Een jaar later wilde ze een nieuw wereldrecord vestigen met een oude De Havilland Mosquito tijdens een vlucht over de Zuid-Atlantische Oceaan. Dit mislukte echter door een gebrek aan geschikte motoren voor de machine, die twee jaar later werd gesloopt. Cowell moest iets later faillissement aanvragen vanwege schulden.
Haar financiële problemen hielden aan, omdat ze moeite had om werk te vinden, en ze verdween grotendeels uit het publieke leven. Wel bleef ze tot in de jaren zeventig racen en won meer dan vierhonderd races gedurende haar carrière. In maart 1972 verscheen een kort interview met The Sunday Times-journalist Michael Bateman, toen ze werkte aan een (niet-gepubliceerde) tweede biografie. In het interview verklaarde ze dat ze een intersekse persoon was met de chromosomale afwijking XX-mannensyndroom (het syndroom van De la Chapelle, of 46,XX testiculaire geslachtsontwikkelingsstoornis), en dat deze aandoening haar transitie rechtvaardigde. Ze sprak ook minachtend over personen met XY-chromosomen die eveneens een geslachtsverandering van man naar vrouw hadden ondergaan, door te zeggen: "De mensen die mij zijn gevolgd, waren vaak mensen met mannelijke chromosomen, XY. Het waren dus normale mensen die zichzelf door middel van de operatie in freaks hebben veranderd."
Na haar scheiding heeft Cowell haar kinderen niet meer gezien. Eind jaren tachtig overleed Cowells langdurige partner Lisa, die ze aan het begin van haar transitie had ontmoet, en stierf Cowell alleen in een seniorencomplex in West-Londen op 11 oktober 2011 op 93-jarige leeftijd. Naar wens van Cowell werd haar begrafenis door slechts zes mensen bezocht en was er geen publiciteit rondom haar overlijden. Haar overlijdensbericht werd pas twee jaar later gepubliceerd en wisten haar dochters niet van haar dood totdat ze door The Independent werden benaderd.
Categorie:Brits autocoureur Categorie:Brits militair in de Tweede Wereldoorlog Categorie:Intersekse persoon Categorie:Transpersoon