Oost-Vlaamse Zanten was een tweemaandelijks volkskundig tijdschrift in Vlaanderen dat gedurende de twintigste eeuw een rol speelde in de documentatie en studie van het volksleven in de provincie Oost-Vlaanderen en daarbuiten. Het ontstond in 1926 in Gent als tijdschrift van de Koninklijke Bond der Oost-Vlaamse Volkskundigen (KBOV) en werd opgevat als een wetenschappelijk georiënteerd forum voor folkloreonderzoek. De volledige titel van de eerste jaargangen luidde Oostvlaamsche Zanten. Mededelingen van den Bond van Oostvlaamsche Folkloristen, wat de nauwe band met een georganiseerde volkskundige beweging onderstreept.

Een belangrijke verandering vond plaats rond 2001, toen Oost-Vlaamse Zanten ophield onder die naam te verschijnen en werd voortgezet als Van Mensen en Dingen: tijdschrift voor volkscultuur in Vlaanderen. Dit nieuwe tijdschrift zette de traditie voort, maar met een expliciet bredere thematische en geografische reikwijdte binnen de Vlaamse volkscultuur.

Geschiedenis Vanaf zijn ontstaan stond het tijdschrift in het teken van de professionalisering van de volkskunde. In de beginperiode (1926–ca. 1935) lag de nadruk op methodologische reflectie en systematische verzameling van gegevens. De redactie stimuleerde een netwerk van lokale “opteekenaars” die tot in dorpen en gehuchten volkskundige gegevens verzamelden, onder meer voor de opbouw van een “Bibliografie van de Vlaamsche Folklore”. De inhoud van deze vroege jaargangen werd echter sterk bepaald door de studie van immateriële cultuur – geloofsvoorstellingen, kalenderfeesten, taal, volksverhalen en liederen – terwijl materiële cultuur aanvankelijk minder aandacht kreeg.

Tot de belangrijkste medewerkers uit deze beginfase behoorde de architect en volkskundige Clemens Trefois, een van de drijvende krachten achter de vereniging en het tijdschrift. Zijn bijdragen illustreren de ambitie om volkskunde te verheffen tot een empirisch onderbouwde discipline. Daarnaast speelden academische figuren zoals De Keyser een rol in de reflectie op het onderzoeksprogramma, onder meer door kritiek te formuleren op de eenzijdige focus van het tijdschrift.

In de tweede periode (ca. 1936–1945) kende Oost-Vlaamse Zanten een zekere verdieping en verbreding. Het tijdschrift verscheen doorgaans regelmatig met meerdere nummers per jaar en behandelde uitvoerig religieuze gebruiken en andere aspecten van het volksleven. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de publicatie beïnvloed door de politieke context; zo verscheen zelfs een volledige Duitse studie, wat wijst op de impact van de bezetting op het volkskundig onderzoek en de redactionele keuzes.

De naoorlogse herstart (vanaf 1945) verliep moeizaam. De oorlog had het volkskundig veld ingrijpend veranderd en de associatie van volkskunde met ideologische instrumentalisering zorgde voor terughoudendheid. Toch wist het tijdschrift te overleven, zij het aanvankelijk in beperkte vorm en met een zekere aarzelende toon. In de daaropvolgende decennia bleef Oost-Vlaamse Zanten functioneren als een tweemaandelijks tijdschrift voor volkskunde, uitgegeven door de Bond van Oostvlaamse Volkskundigen en gericht op zowel onderzoekers als geïnteresseerde leken.

Vanaf de jaren 1960 en 1970 verschoof de aandacht geleidelijk naar meer specifieke thema’s uit het dagelijks leven, waaronder ambachten en materiële cultuur. Zo weerspiegelen bijdragen over kantwerk en tentoonstellingen de groeiende belangstelling voor ambachtelijke tradities en hun sociale context. In de latere decennia werd het thematische spectrum verder uitgebreid met onderwerpen zoals volksgeneeskunde, plantkunde en populaire kennisvormen. Belangrijke auteurs uit deze periode zijn onder meer August Gaston Homblé, een bijzonder productieve medewerker met interesse voor volksgeneeskunde en cultuurfilosofie, en academische auteurs zoals Willy Braekman en L.J. Vandewiele. In die periode was ook de volkskundige Renaat Van der Linden een regelmatig redactielid.

Inhoud Inhoudelijk weerspiegelt het tijdschrift de evolutie van de volkskunde zelf: van een discipline gericht op het verzamelen van “overgeleverde” tradities naar een bredere cultuurhistorische benadering die ook aandacht heeft voor sociale verhoudingen, marginale groepen en alledaagse praktijken. Tegen het einde van de twintigste eeuw verschuift de focus duidelijk naar een meer kritische en sociaalhistorische benadering van het verleden, waarbij ook de “onderbuik” van de geschiedenis – de ervaringen van gewone mensen – centraal komt te staan.

Externe link

Overzicht uitgaven op openjournals.ugent.be.

Categorie:Tijdschrift