't Juffere of Oploo was een kasteel in het Nederlandse dorp Oploo, provincie Noord-Brabant. Het kasteel is geheel verdwenen, maar het omgrachte kasteelterrein is nog herkenbaar. Dit terrein is ingericht als park.
Geschiedenis Oploo was een ambachtsheerlijkheid in het Land van Cuyk. De eerst bekende heer van Oploo was Gerrit de Vette, die in 1393 als zodanig in een oorkonde werd genoemd. Het kasteel zal dan ook in de tweede helft van de 14e eeuw zijn gesticht. Het zal overigens in het begin niet meer zijn geweest dan een versterkte boerderij, omgeven door een gracht. Het dorp Oploo ontstond vervolgens naast het kasteel.
In de 15e eeuw waren kasteel en heerlijkheid Oploo een leen van de hertogen van Gelre. Eind 15e eeuw was het zelfs tegelijkertijd een leen van zowel Gelre als Brabant.
Anna van Meer was vanaf 1544 vrouwe van Oploo en kasteeleigenaresse.
Jachtslot Van 1637 tot 1680 was Ludolph van Steenhuijs heer van Oploo. Stadhouder Willem II verhief de heerlijkheid Oploo in 1648, zodat de heer van Oploo nu ook de hoge jurisdictie kreeg. De heerlijkheid werd daarmee dus belangrijker dan voorheen. Overigens woonde de familie Van Steenhuijs waarschijnlijk op het kasteel van Heumen; het kasteel Oploo werd gebruikt als jachtslot, dat door de familie verder werd verfraaid om het meer aanzien te geven.
Na het overlijden van Walraad van Steenhuijs in 1722 kwam het kasteel toe aan zijn weduwe Lucretia van der Noodt (†1739). Zij bewoonde nu het kasteel samen met haar twee dochters Amalia Cecilia (†1767) en Maria Genoveva (†1777); zij kwamen bekend te staan als de drie Juffers van Oploo. Dit zorgde ervoor dat het kasteel de bijnaam 't Juffere kreeg.
Verkoop aan Willem V Lucretia van der Noodt hertrouwde in 1723 met de militair Alexander Stevart. Nadat Lucretia in 1739 was overleden, gingen het kasteel en de heerlijkheid Oploo naar dochter Amalia Cecilia. Toen zij stierf in 1767 kwam het kasteel in handen van haar zus Maria Genoveva, die was getrouwd met Bernard, graaf van Welderen. Hun kinderen Odilia, Jan Walraad en Maria Catharina erfden in 1777 de heerlijkheid Oploo met het kasteel, maar verkochten alles in 1778 aan stadhouder Willem V voor een bedrag van 75.000 gulden.
Verval en sloop miniatuur|Het kasteelterrein op een kadastrale kaart uit het eerste kwart van de 19e eeuw. Op de hoofdburcht staat geen bebouwing meer; op de voorburcht zijn nog twee L-vormige bijgebouwen te zien. Het kasteel werd vanaf 1744 niet meer bewoond. Het raakte daardoor in verval en vanaf 1754 volgde een geleidelijke sloop. Mogelijk had deze sloop ook te maken met de mode om een landhuis te bezitten: door delen van het kasteel af te breken ontstond een landhuisachtig gebouw.
Bij de verkoop in 1778 verkeerde het kasteel in slechte staat, maar de muren waren in orde. In het rapport dat de heer Motman, lid van de Domeinraad, opstelde, gaf hij het advies om het kasteel af te breken en de bakstenen te verkopen. Dit is daadwerkelijk uitgevoerd, want in de Franse Tijd waren alleen nog de bijgebouwen op de voorburcht aanwezig.
De boerderij op de voorburcht werd verpacht, met in 1797 Johannes Bergmans als pachter. Later kreeg de boerderij de bijnaam 't Kasteeltje. Het laatste restant dat nog herinnerde aan het kasteel, was een schuur die uiteindelijk in 1975 is afgebroken.
In 1969 is het kasteelterrein archeologisch onderzocht, waarbij fundamenten te voorschijn kwamen van zowel de hoofd- als de voorburcht. In 1991 vond een weerstandsonderzoek plaats.
Beschrijving Op een tekening van Jan de Beijer uit 1743Voor de afbeelding uit 1743: zie het BHIC. is een omgrachte hoofdburcht te zien, met het hoofdgebouw aan de linkerzijde: vermoedelijk was dit het oudste deel van het kasteel. De hoge toren aan de linkerkant was waarschijnlijk een latere aanbouw die het gebouw een meer kasteelachtig uiterlijk moest geven. Op de voorgrond is een zijvleugel zichtbaar met een latrinetorentje. Er zijn volgens de tekening aan de andere zijde van het kasteel ook nog enkele bouwsels, maar het is niet duidelijk hoe die er uit zagen. Op de voorburcht stonden twee bijgebouwen voor agrarische doeleinden. Tussen de twee bijgebouwen lag de toegangsbrug naar de hoofdburcht.
Bij de verkoop in 1778 werd het complex in een rapport omschreven als een omgracht kasteel, terwijl de twee bijgebouwen op de voorburcht in gebruik waren als boerderij. Op de begeleidende kaart van het rapport is een kasteel te zien dat bestaat uit een langwerpig gebouw met aan de achterzijde een uitbouw, terwijl er tevens sprake lijkt te zijn van een oprijlaan. Mogelijk hebben de eigenaren tussen 1743 en 1778 het kasteel verbouwd om het zo meer op een landhuis te doen lijken. Bij de heerlijkheid hoorden in 1778 verder nog zeven boerderijen en enkele molens.
Kasteeleiland Het omgrachte kasteeleiland is behouden gebleven en omgevormd tot een park. Met hagen zijn de contouren van het kasteel aangegeven. In het park is een beeldengroep geplaatst die de drie Juffers van Oploo weergeeft.
In 2018 werd in het park tevens het bronzen beeld Klein Juffere geplaatst, gemaakt door dierenarts Ignas Bertels. Dit beeld geeft het kasteel weer zoals het er volgens de tekening uit 1743 heeft uitgezien.
Categorie:Kasteel in Noord-Brabant Categorie:Verdwenen kasteel in Nederland Categorie:Bouwwerk in Land van Cuijk