Götz Haydar Aly (Heidelberg, 3 mei 1947) is een Duits politicoloog, historicus en journalist.

Biografie Götz Aly werd geboren in Heidelberg als zoon van uitgever en voormalig Hitlerjugend-functionaris Ernst Aly (1912-2007) en zijn vrouw Ottilie, geboren Schneider. Hij is een afstammeling van de Pruisische hoveling ("Kammertürke") Friedrich Aly en een kleinzoon van de Freiburgse filoloog Wolfgang Aly (1881-1962).

Aly bezocht lagere en middelbare scholen in Heidelberg (1954-1956), Leonberg (1956-1962) en Gräfelfing (1962-1967), waar hij in 1967 zijn gymnasiumdiploma behaalde. Zijn dienstplicht bracht hij door als reservist. In 1967 en 1968 volgde hij een opleiding aan de Duitse School voor Journalistiek in München. Daarna studeerde hij tot 1971 geschiedenis en politieke wetenschappen aan de Vrije Universiteit Berlijn.

Tijdens zijn studie was Aly actief betrokken bij de studentenbeweging. In de zomer van 1970 werd hij voor de faculteit politicologie (het Otto-Suhr-Institut) gekozen als studentenvertegenwoordiger in de nieuw opgerichte departementsraad namens de "Socialistische Werkcollectieven". In 1971 was hij medeoprichter en redacteur van het blad Hochschulkampf. Kampfblatt des Initiativkomitees der Roten Zellen in West-Berlin, dat het maoïsme aanhing. Op 24 juni 1971 nam hij deel aan een actie waarbij activisten een seminar van professor Alexander Schwan binnendrongen en hem met geweld aanvielen. Van begin 1972 tot midden 1973 was hij actief in de Rote Hilfe Westberlin, die ondersteuning bood bij linkse demonstraties en aan gedetineerde activisten.

Na het behalen van zijn diploma in de politieke wetenschappen in 1971, werkte Aly vanaf 1973 als directeur van een jeugdcentrum in Berlin-Spandau. In juli 1978 promoveerde hij aan de Vrije Universiteit Berlijn in de economie en sociale wetenschappen met zijn proefschrift "Staatsjeugdzorg en de behoeften van jongeren", dat gebaseerd was op zijn ervaringen in Spandau. Van 1981 tot 1983 en van 1991 tot 1993 werkte Aly als redacteur binnenlandse politiek bij de in 1978 opgerichte krant taz. Van 1997 tot 2001 was hij hoofdredacteur en tot juni 2021 freelance schrijver voor de Berliner Zeitung. In de tussenliggende jaren schreef hij bij gelegenheid voor de Frankfurter Allgemeine Zeitung, de Süddeutsche Zeitung, Die Zeit en Der Spiegel.

In oktober 1982 vroeg Aly een stipendium aan ten behoeve van een habilitatie bij de Deutsche Forschungsgemeinschaft over het onderwerp "De ontwikkeling van wetenschappelijke normen voor de beoordeling en het doden van gehandicapte Duitse kinderen in de jaren 1939-1945: een voorstel om een taboe te doorbreken." Volgens zijn eigen verklaring werd zijn interesse in de "euthanasie"-moorden door de nazi's gewekt door zijn in 1979 geboren dochter, die kort na de geboorte encefalitis kreeg en ernstige hersenschade opliep. De DFG wees Aly’s aanvraag af, omdat men twijfelde aan de geschiktheid van een politicoloog voor een uitgesproken historisch project. Desondanks heeft Aly zich de daaropvolgende jaren intensief met dit onderwerp beziggehouden. Van 1984 tot 1992 was hij mederedacteur van de eerste tien afleveringen van het tijdschrift "Beiträge zur nationalistischen Gesundheits- und Sozialpolitik", en van 1985 tot 1988 leidde hij het project "Daderbiografieën" aan het Hamburger Institut für Sozialforschung.

In 1994 behaalde Aly zijn habilitatie in politicologie aan Vrije Universiteit Berlijn. Hij bekleedde daarna gastprofessorschappen in Wenen en Salzburg en aan het Fritz Bauer Institut zur Geschichte und Wirkung des Holocaust in Frankfurt am Main. Van 2006 tot 2020 was hij lid van de raad van toezicht van het Jüdisches Museum Berlin.

In 2011 weigerde het Otto-Suhr-Institut, ondanks een positieve beoordeling van Hans Mommsen, Aly tot buitengewoon hoogleraar te benoemen. De commissie in kwestie rechtvaardigde haar besluit door te stellen dat Aly niet over de theoretische en methodologische kwalificaties voor een hoogleraarschap in de politieke wetenschappen beschikte, omdat hij zich vooral met historische vraagstukken had beziggehouden, een beslissing die op veel kritiek stuitte. Volgens een column in de taz van Micha Brumlik ging het om interpersoonlijke relaties en gebrek aan begrip voor het verband tussen geschiedenis en politicologie, volgens Jacques Schuster van Die Welt was de afwijzing te wijten aan Aly's kritiek op de beweging van 1968. Aly bekritiseerde rond die tijd het Otto-Suhr-Institut dat het te weinig aan bestrijding van plagiaat deed, wat in die tijd actueel was vanwege het schandaal rond de toenmalige minister van Defensie Karl-Theodor zu Guttenberg.

Götz Aly is getrouwd, heeft vier kinderen en woont in Berlijn.

Werk Onderzoek naar het nationaal-socialisme Het hoofdthema van Aly's wetenschappelijke werk was aanvankelijk de geschiedenis van de Holocaust, die hij grotendeels buiten de gevestigde academische instituties onderzocht. De aanleiding voor zijn betrokkenheid bij het onderwerp Holocaust was het meest omvangrijke onderzoek tot dan toe naar euthanasie tijdens het Derde Rijk, uitgevoerd in Hamburg in 1981. Aly's verklaring van de Holocaust steunt minder op ideologische factoren (rassenwaanzin, antisemitisme) en meer op rationele verklaringen. Centraal hierin staat zijn boek uit 1991, Vordenker der Vernichtung, geschreven samen met Susanne Heim, waarin de auteurs de economische en bevolkingspolitieke motieven in het ontstaan van de Holocaust benadrukken. Dit boek ontketende een wetenschappelijk debat, dat met name tot uiting komt in de bundel Vernichtungspolitik, eveneens gepubliceerd in 1991 en geredigeerd door Wolfgang Schneider. Verschillende auteurs, met name onderzoekers zoals Ulrich Herbert en Norbert Frei, uitten kritiek op de stellingen en de methodologie van Aly en Heim.

Met zijn boek Endlösung (1995), waarin hij de Holocaust plaatst in de context van het hervestigingsbeleid van de nationaalsocialisten en talrijke nieuwe bronnen analyseert, oogstte Aly wel brede erkenning, onder meer van Hans Mommsen en Raul Hilberg. Zijn boek Hitlers Volksstaat. Raub, Rassenkrieg und nationaler Sozialismus uit 2005 leidde echter weer tot controverse in academische kringen. Aly introduceerde het begrip "Gefälligkeitsdiktatur" (dictatuur van gunsten) om de nazistaat te omschrijven, waarvan de Duitsers volgens hem rechtstreeks profiteerden en die egalitaire principes probeerde door te voeren via sociale voorzieningen. Critici verweten Aly de invloed van de terreur te onderschatten en de economische verbanden te sterk te versimpelen.

Van 2002 tot 2010 was Aly een van de initiatiefnemers en redacteuren van de 16-delige bronnenuitgave Die Verfolgung und Ermordung der europäischen Juden durch das nationalsozialistische Deutschland 1933–1945, die tot doel heeft zowel persoonlijke verslagen van slachtoffers en ooggetuigen, als die van staats- en partijfunctionarissen, te documenteren.

Uitspraken van Aly naar aanleiding van de controversiële tentoonstelling over kolonialisme "De Derde Wereld in de Tweede Wereldoorlog", die bedoeld was om de bijdragen van de "koloniale volkeren" aan de bevrijding van Duitsland in de Tweede Wereldoorlog te eren, veroorzaakten ophef. Aly bekritiseerde wat hij zag als de bagatelliserende behandeling door de organisatoren van de tentoonstelling van het onderwerp nazi-sympathisanten en het in stand houden van het "beeld van de nobele wilde". Hij beweerde dat Mahatma Gandhi "een van de grootste vrienden" van de nazi's was geweest en dat de zwarte soldaten "onwillige bevrijders" waren. Bovendien beweerde hij dat "elk dorp in Zuidwest-Duitsland verhalen kon vertellen over verkrachtingen gepleegd door zwarte soldaten" die zich "niet anders hadden gedragen dan de Russen".Alan Posener: Götz Aly platzt im Faschismus-Streit der Kragen. in: Die Welt, 4 september 2009.

In zijn boek uit 2011 Warum die Deutschen? Warum die Juden? betoogt Aly dat de centrale oorzaak van de Holocaust een specifiek Duitse sociale afgunst was jegens de Joden, die meer geneigd waren zich beter te scholen ("Bildungsaffiner" waren), welke zich pas in de loop van de industrialisatie in de 19e eeuw ontwikkelde. Ulrich Herbert stelt daar tegenover dat het directe verband tussen materiële belangen en politieke eisen als verklaring tekort schiet. 'Ideologie', zo betoogt hij, is niet, zoals Aly beweert, slechts 'verzonnen', maar eerder een systeem van overtuigingen dat pretendeert de wereld te verklaren en op zichzelf in staat is om verandering teweeg te brengen.

In het in 2013 uitgegeven Die Belasteten ("de tot last zijnden") beschrijft hij hoe de euthanasiemoorden op ongeveer 200.000 mensen in de Duitse maatschappij een 'publiek geheim' waren. Hij laat het gedrag zien van zowel familieleden als artsen, voor wie deze moorden dagelijkse therapeutische praktijk waren en die tegelijkertijd pretendeerden een hoger doel te dienen.

Zijn boek uit 2017 Europa gegen die Juden. 1880–1945 beschrijft het moderne antisemitisme als een grensoverschrijdend fenomeen, aangewakkerd door nationalisme, crises en sociale afgunst, die de Duitse bezetters konden uitbuiten in hun beleid van deportaties en genocide. Martin Doerry bekritiseert Aly omdat hij zich uitsluitend richt op de afgunst van de bezitslozen jegens de ondernemingsgezinde Joden. Hitler verklaarde echter de "internationale Jood" tot de ware vijand, die de vernietiging van de Duitse natie nastreefde. Hitler was dus niet uit op plundering, maar op de uitroeiing van de Joden.

Kritiek op de beweging van 1968 In zijn boek Unser Kampf 1968 – ein irritierter Blick zurück uit 2008 analyseert Aly de reactie van de tegenpartij op de Duitse studentenbeweging van de jaren zestig. Hij maakt gebruik van archiefmateriaal van Duitse autoriteiten en contemporaine reacties, waaronder die van Joseph Ratzinger, Ernst Fraenkel en Richard Löwenthal. Hij concludeert dat de achtenzestigers veel meer op hun ouders leken – de nationaalsocialistisch beïnvloede "generatie van 1933" – dan ze zelf wilden toegeven.

Als bewijs voor zijn these noemt Aly de drang tot anti-burgerlijkheid, de bereidheid tot geweld, het anti-amerikanisme, latent antisemitisme en de onderdrukking van kritiek op linkse despoten. De achtenzestigers waren, als een "late uitloper", eerder onderdeel van het probleem van het totalitarisme dan de oplossing. Evenzo waren de achtenzestigers bij de liberalisering van moraal en gewoonten niet de aanstichters, maar de profiteurs van een proces dat al in de jaren vijftig was begonnen. "Het is moeilijk om aan je eigen dochters en zonen uit te leggen wat je destijds dreef," zegt Aly, reflecterend op zijn eigen levensloop.

Aly's boek over de politieke generatie van 1968 leidde tot een levendige discussie over de fundamenten van de "Mei 68-beweging". De historicus Norbert Frei verklaarde over Aly's vergelijking tussen de "generatie van 1933" en de achtenzestigers: "Ik denk dat iemand zich heeft laten meeslepen door een volledig overdreven historiografische weergave, puur voor de mediasensatie." Volgens Frei dient het op één lijn stellen van de '68-generatie met de '33-generatie' "uitsluitend om te provoceren, niet om historisch inzicht te verkrijgen."Ulrike Baureithel: Der Sündenstolz auf die eigene Geschichte. in: der Freitag, 20 maart 2008 (interview met Norbert Frei). Rudolf Walther beschuldigt Aly ervan de studenten van 1968 en nationaalsocialistische studenten gelijk te stellen met een simplistische conclusie die uitsluitend gebaseerd is op bepaalde oppervlakkige overeenkomsten.Rudolf Walther: Flucht aus der Empirie. in: der Freitag, 22 juni 2012.

Luf-boot In zijn boek Das Prachtboot uit 2021 onderzoekt Aly, aan de hand van de Luf-boot - een in 1903 vanuit het eiland Luf in het toenmalige Duits Nieuw-Guinea naar Berlijn overgebrachte prauw - als voorbeeld, hoe Duitse kooplieden en avonturiers in de Stille Oceaan geweld, vernielzucht en hebzucht gebruikten om gedurende de koloniale periode culturele schatten te roven of zich toe te eigenen.

Werken (selectie)