miniatuur|Afgraving terp bij Britsum Het arrest Terpen (HR 19 december 1910, W 9122) is een arrest van de Hoge Raad der Nederlanden dat betrekking heeft op de uitleg van het strafrechtelijke begrip "doen plegen" zoals bedoeld in artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht. Het arrest gaat specifiek in op de vraag of iemand als doen-pleger kan worden aangemerkt wanneer de feitelijke uitvoerders van een verboden handeling geen strafrechtelijke aansprakelijkheid hebben vanwege het ontbreken van een vereiste hoedanigheid. Casus De gemeente Leeuwarderadeel had in een verordening bepaald dat het zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders verboden was om een terp af te graven of te laten afgraven. Een eigenaar van een terp bij Britsum liet werklieden zijn terp beneden de toegestane hoogte afgraven zonder vergunning. De eigenaar werd vervolgd op grond van "doen afgraven," wat gekoppeld werd aan het strafrechtelijke begrip "doen plegen" in art. 47 Sr, via art. 91 Sr.

Rechtsvraag Kan de eigenaar worden aangemerkt als doen-pleger wanneer de werklieden bewust handelden in strijd met de verordening? (Ja) Procesgang De Hoge Raad oordeelde anders dan de rechtbank en stelde de volgende kernpunten: Er is sprake van doen plegen wanneer de feitelijke uitvoerders niet de vereiste hoedanigheid hebben om zelf strafrechtelijk aansprakelijk te worden gesteld. Feitelijke uitvoerders: In deze casus waren de werklieden geen eigenaar of gebruiker van de terp, wat voldoende was om de eigenaar als doen-pleger te kwalificeren Willoze werktuigen niet vereist: Het is niet noodzakelijk dat de uitvoerder als een willoos werktuig wordt beschouwd. De rechtbank had eerst moeten vaststellen dat de werklieden geen gebruikers van de terp waren. Dat enkele feit zou reeds voldoende zijn om de eigenaar strafrechtelijk aansprakelijk te stellen als doen-pleger. Zie ook Pastoor-arrest (1898) Melk en water-arrest (1916) Categorie:Nederlands arrest (strafrecht)