Johannes Henricus Antonius Maria Essink (Oldenzaal, 11 juni 1852 – Vught, 18 januari 1918) was een Nederlands jurist en bestuurder. Hij was burgemeester van Oldenzaal (1884-1893) en lid van de Provinciale Staten (1878-1904) en Gedeputeerde Staten (1904-1915) van Overijssel. Essink was lid van de Algemeene Bond van RK-kiesverenigingen.

Biografie

Jeugd en familie Johannes Henricus Antonius Maria Essink werd in 1852 in Oldenzaal geboren als kleinzoon van Hermanus Joannes Gerardus Essink (1803-1880), arts en lid van de Provinciale Staten. Ook zijn vader Bernardus Josephus Christianus Essink (1825-1879) was arts, zijn moeder was een telg uit het geslacht Van Basten Batenburg. Essink zelf studeerde in 1876 aan de Utrechtsche Hoogeschool af in de rechten en trouwde op 20 april 1880 in Delft met Maria Johanna Elisabeth van Berckel (1859-1921), telg uit het geslacht Van Berckel. Ze kregen twee dochters, Elise (1892-1970) en Helena (1881-1919), en een zoon, Alphonsus (1893-1938).

|De boerderij "Stakenboer" op landgoed Boerskotten bij Berghuizen |Psychiatrisch ziekenhuis "Huize Voorburg" in Vught In navolging van zijn grootvader en vader was Essink betrokken bij de verdere ontwikkeling van het landgoed Boerskotten bij Berghuizen, dat sinds 1842 eigendom van de familie was. Hij liet daar in 1871 de boerderij "Stakenboer" bouwen, die tegenwoordig in de Oldenzaalse wijk Zuid-Berghuizen staat. De initialen "J.H.A.M.E." op de sluitsteen herinneren hier nog aan. Sinds 1984 is het 134 hectare grote landgoed eigendom van Natuurmonumenten.

Loopbaan Vanaf 1877 was Essink werkzaam als jurist aan het Gerechtshof Arnhem en vestigde hij zich in die plaats. In mei van dat jaar ging hij mee met de katholieke deputatie naar het Vaticaan, onder leiding van aartsbisschop Andreas Ignatius Schaepman, ter ere van het vijftigjarig bisschopsfeest van paus Pius IX. Later was hij verbonden aan het Paleis van Justitie in Almelo en was raadslid in Oldenzaal.

In augustus 1884 werd Essink benoemd tot wethouder van de gemeente, waarna hij een maand later werd geïnstalleerd als burgemeester van Oldenzaal, waarmee hij mr. Gijsbert Waller opvolgde. Als commissaris was Essink in augustus 1885 betrokken bij de oprichting en het bestuur van de Oldenzaalsche Bouwmaatschappij, die betaalbare woningen voor de arbeiders in de stad bouwde. Naast zijn werk op lokaal niveau zette hij zich in voor de totstandkoming van de spoorlijn tussen Enschede en Oldenzaal. In 1890 opende hij de lijn en het bijhorende station Oldenzaal EO. In datzelfde jaar werden de door Essink beschreven uitkomsten van de door de Landbouwcommissie ingestelde enquête gepubliceerd, waarin hij de toestand van de landbouw in de gemeente Losser beschreef. Hij was hiervoor waarschijnlijk gekozen omdat hij als grootgrondbezitter hier reeds kennis over had. Begin 1893 werd Essink door voormalig Tweede Kamerlid Nicolaus Vos de Wael opgevolgd als burgemeester van Oldenzaal.

Op basis van de belastingen die hij in verschillende Overijsselse gemeenten betaalde, was Essink verkiesbaar voor het lidmaatschap van de Provinciale Staten van Overijssel. In 1878 werd hij verkozen, waarna hij meermaals herkozen werd. Na de verkiezingen van 1904 werd hij lid van de Gedeputeerde Staten van Overijssel, een functie die hij tot 1915 bekleedde. Voor zijn verdiensten in het openbaar bestuur was hij benoemd tot ridder in de orde van de Nederlandsche Leeuw. Overlijden Essink overleed in 1918 in het psychiatrische ziekenhuis "Huize Voorburg" in Vught. De uitvaart vond plaats vanuit de Oldenzaalse St. Antoniuskerk, waarna hij werd begraven op de katholieke begraafplaats aldaar. De Burgemeester Essinkstraat in de wijk Zuid-Berghuizen werd in 1924 naar hem vernoemd.

Categorie:Burgemeester van Oldenzaal Categorie:Lid van de Provinciale Staten van Overijssel Categorie:Gedeputeerde van Overijssel Categorie:Nederlands jurist Categorie:Politicus voor de Algemeene Bond