Maria Johanna (Hanna) de Graag (Gorinchem, 11 maart 1879 – Arnhem, 28 september 1972) was een Nederlands verpleegkundige en concholoog. Zij speelde een belangrijke rol bij het behoud en de museale onderbrenging van de artistieke nalatenschap van haar zuster, de kunstenares Julie de Graag.

Biografie De Graag werd geboren als dochter van rijksontvanger Johannes de Graag en Karolina Stephana Couwenberg. Zij was een zuster van onder anderen de kunstenares Julie de Graag en arts Karel Stephanus de Graag.

Zij volgde onderwijs aan de HBS voor meisjes en studeerde aansluitend aan het Koninklijk Conservatorium voor Muziek, waar zij werd opgeleid in viool en solozang. Als zangeres trad zij op in onder meer Den Haag en Utrecht, onder andere bij congressen gericht tegen alcoholmisbruik. Zij was tevens betrokken bij de Nederlandse Vereniging tot Afschaffing van Alcoholhoudende Dranken.

In 1914 behaalde De Graag het diploma Algemene Ziekenverpleging aan het Hôpital Wallon in Leiden. In de jaren twintig werd zij directrice van de lighallen van de Vereniging tot Bestrijding der Tuberculose in Den Haag, een functie die zij tot in de jaren dertig vervulde.

Nalatenschap Julie de Graag Na het overlijden van haar zuster Julie de Graag in 1924 ontfermde Hanna de Graag zich over haar artistieke nalatenschap. Zij erfde het grootste deel van haar bezittingen (7/8e) en zette zich vervolgens actief in om het werk van haar zuster onder te brengen bij musea. Door haar bemiddeling kwamen grote delen van het oeuvre, waaronder tekeningen en houtsneden, terecht in onder meer het Rijksmuseum en Museum Boijmans Van Beuningen. Deze overdrachten vonden plaats in meerdere fasen, beginnend in 1927 en eindigend in 1954. Daarnaast legde zij het oeuvre van haar zuster systematisch vast in inventarislijsten, waarmee zij een belangrijke bijdrage leverde aan de documentatie en het behoud van het werk van Julie de Graag.

Schelpenverzamelaar De Graag hield zich daarnaast bezig met het verzamelen van schelpen. Ze was een van de eerste vrouwelijke leden van de Nederlandse Malacologische Vereniging. Tijdens reizen naar Zuid-Afrika en Zuid-Amerika verwierf zij een omvangrijke collectie, waarvan delen later aan musea werden geschonken. Een van haar vondsten bleek een nieuwe soort te zijn en werd naar haar vernoemd: Pteropurpura graagae.

Maria Johanna de Graag overleed in 1972 in het tehuis Drie Gasthuizen in Arnhem.

Categorie:Nederlands verpleegkundige Categorie:Malacoloog