miniatuur|Bijlokehospitaal in Gent. 19e-eeuwse prent miniatuur|Bijlokeabdij, middeleeuws gedeelte Ermentrude Utenhove (Gent, eind 12e eeuw – aldaar, 30 maart 1242) stichtte het Mariahospitaal in het centrum van Gent, de hoofdstad van het graafschap Vlaanderen. Ze stichtte het hospitaal een tweede maal, bekend als het Bijlokehospitaal met de Bijlokeabdij, een cistercienzerinnenabdij. Haar broer, kanunnik Fulco Utenhove, was de grootste financier alsook medebestuurder. Levensloop Gentse binnenstad De familie Utenhove was in Gent een gefortuneerde familie van lakenhandelaars. Omwille van hun zielenheil wijdden ze zich aan de zorg voor armen, daklozen, reizigers en zieken. Dit deed Ermentrude Utenhove in haar residentie nabij de Sint-Michielskerk, vanaf circa 1200. Het hospitaal kreeg de naam Mariahospitaal of Portus Beatae Mariae (Thuishaven van de heilige Maria). Ermentrude werd geholpen door vrijwilligsters, die onder leiding van een magister stonden. Paus Innocentius III erkende de statuten van het Mariahospitaal in 1204. Broers en zussen van Ermentrude staken financieel bij om het Mariahospitaal uit te bouwen. Een van haar broers, Fulco, werd in 1206 kanunnik van het kapittel van Sint-Pieter in Rijsel. Deze broer leed aan vierde-dag koorts, een vorm van weerkerende koorts. Fulco werd de belangrijkste financier.
Ermentrude had meer helpers nodig. Op een terrein van de familie nabij Lokeren stichtte zij het cisterciënzerinnenklooster Locus Sanctae Mariae iuxta Locre (1215), ook genoemd Locus Sanctae Mariae in Busco, wat betekent Onze-Lieve-Vrouw-ten-Bos. Dit gebeurde met steun van Gozewijn of Gossuinus, bisschop van Doornik, en Arnold II, abt van Cîteaux. Het merkwaardige was dat hiermee de kloosterregel van Cîteaux overtreden werd. Monialen mochten enkel aan ziekenzorg doen binnen de muren van de abdij, niet erbuiten. Met steun van Gozewijn en gravin Johanna van Vlaanderen mochten de kloosterzusters uit Lokeren alsnog in Gent zieken verzorgen. Marguerite Utenhove, zus van Ermentrude, werd de eerste abdis.
In 1226, met de Vrede van Melun, werd de graaf-gemaal van Vlaanderen, Ferrand van Portugal vrijgelaten. Ferrand en zijn echtgenote Johanna, de gravin van Vlaanderen, startten met de stichting van dominicanerkloosters in het graafschap. Hun oog viel op het Mariahospitaal in Gent. Deze moest verhuizen. De onderhandelingen tussen de graaf en gravin en de familie Utenhove sleepten twee jaar aan. In deze periode, in 1227, kocht Ermentrude nog het afgebrande hospitium van hun buren, de familie Wittocx. Het Mariahospitaal barstte uit haar voegen.
Bijloke Het hospitaal van Ermentrude verhuisde in 1228 naar Ekkergem, naar een veld dat Riscus genoemd werd, naast het terrein Bijlokemeersen of kortweg Bijloke. De graaf schonk hen dit veld. Dit deel van Gent lag in de middeleeuwen buiten de stadsmuren. De dominicanen trokken in in het afgeschafte Mariahospitaal in Gent-centrum. Ermentrude leidde de bouw en inrichting van zowel het nieuwe hospitaal als van de abdij. Haar familie financierde. De eerste abdis was een nicht van Ermentrude en Marguerithe: Elisabeth Utenhove. De abdij verrees boven de fundamenten van een ouder klooster, geheten Portus Monialum; de stenen resten werden herbruikt in de bouw. De officiële naam van de abdij bleef Portus beatae Mariae. Vanaf 1234 vond een financiële scheiding plaats tussen de cisterciënzerinnenabdij van Bijloke en Lokeren. De naam van de abdij werd in de volksmond voortaan Bijlokeabdij genoemd.
Ermentrude werkte tot aan haar dood in 1242 als bestuurder van het hospitaal, dat de naam Bijlokehospitaal kreeg. Ze werd in de abdijkapel begraven.
Postuum Haar broer en medebestuurder Fulco overleed in 1243 en werd eveneens in de abdijkapel begraven. Zijn graf trok devote pelgrims aan die er kwamen bidden tegen koortsproblemen. Zijn stoffelijk overschot werd een laatste maal opgegraven in 2007 door de archeologische dienst van Gent. De tweede abdis was Marie Utenhove (1249), zus van Elisabeth Utenhove. Tussen 1251 en 1255 verrees onder haar impuls een monumentale ziekenhal met een hoogte van 18 m, die bewaard is gebleven doorheen de eeuwen. Deze gaf plaats aan 40 bedden. De abdij Onze-Lieve-Vrouw-ten-Bos in Lokeren verhuisde in 1246 naar Heusden bij Gent. Eerstgenoemde abdij werd retrospectief genoemd Oudenbos (1215-1246) en laatstgenoemde Nieuwenbos (1246-1578). Tijdens de godsdienstoorlogen in de 16e eeuw verhuisde Nieuwenbos naar een site binnen de stadsmuren van Gent.
Categorie:Voorman in het graafschap Vlaanderen Categorie:Persoon in de Nederlanden in de 12e eeuw Categorie:Persoon in de Nederlanden in de 13e eeuw Categorie:Geschiedenis van Gent