Het koorboek van Ulrich Pfintzing (Österreichische Nationalbibliothek, Musiksammlung, VienNB 15497) is een muziekhandschrift dat in de periode 1513-1514 werd vervaardigd in het atelier van Petrus Alamire. Het is een van de dertien muziekhandschriften uit dit atelier dat door deze bibliotheek bewaard wordt. Het handschrift bevat zes missen en twee credo's. Drie van de composities zijn van Pierre de la Rue, twee van Antoine de Févin en een van Johannes Prioris, Jacobus Barbireau en Jean Mouton.
De opdrachtgever was Ulrich Pfintzing, (1483-1530) een invloedrijke functionaris aan het hof van Maximiliaan I. Pfintzing was afkomstig uit een patriciërsfamilie die in Neurenberg en omgeving al eeuwen veel invloed had. Ten aanzien van dit aspect is dit handschrift verwant aan het koorboek voor de Zeven Smarten. Ook hier was de opdrachtgever een hoge functionaris, in dit geval aan het Bourgondische hof. Zowel Pfintzing als Karel de Clercq, heer van Bouvekercke en Berlaer, hadden dezelfde functie. Pfintzing was schatbewaarder-generaal van de domeinen en financiën in Oostenrijk en Karel de Clercq vervulde die functie in de Nederlanden. Er zijn ook verschillen tussen beide handschriften. Het koorboek voor de Zeven Smarten is geheel gewijd aan een thema, de devotie voor Onze-Lieve-Vrouw van Smarten. Een centraal thema ontbreekt in het koorboek van Ulrich Pfintzing. Het decoratieve programma van initialen en miniaturen in dit handschrift is echter weer uitgebreider dan in het koorboek voor de Zeven Smarten.
Pfintzing was in 1513 meerdere malen aanwezig in Mechelen aan het hof van Margaretha van Oostenrijk. Waarschijnlijk zal Pfintzing het koorboek bij Alamire besteld hebben tijdens zijn verblijf van enkele maanden in Mechelen. Het handschrift moet in ieder geval na 1512 vervaardigd zijn aangezien het overlijden van Antoine de Févin in dat jaar boven de twee composities van hem in het handschrift vermeld wordt.
Karel de Clerq werd in 1516 benoemd in de zeer lucratieve functie van president van de rekenkamer van Rijsel. Pfintzing werd in 1515 op bevel van Maximiliaan gekozen tot de eveneens lucratieve functie van abt van het Stift St. Paul in Lavanttal, Karinthië, een in 1091 gesticht klooster van de benedictijnen. Enige tijd daarna werd hij tot priester gewijd. In die functie van abt bracht hij het klooster tot aan de rand van faillissement door voor strikt persoonlijk gewin landerijen en andere kostbaarheden van het klooster te verkopen.
Dit handschrift was met enkele andere handschriften van Alamire, het koorboek van Maximiliaan I en Bianca Maria Sforza en het koorboek voor aartshertog Karel in de bibliotheek van Maximiliaan in Innsbruck bewaard. Ook tijdens de periodes van de keizers Karel V en Ferdinand I bleef deze bibliotheek in Innsbruck. Na het overlijden van Ferdinand I kwam deze bibliotheek in het bezit van Ferdinand II van Tirol. Na het overlijden van Philippine Welser met wie hij een morganatisch huwelijk had werd de bibliotheek verhuisd naar Schloss Ambras. In 1665 stierf de Tiroolse linie van de Habsburgers uit. Alle bezittingen van de linie vervielen aan keizer Leopold I. De bibliotheek wordt opnieuw verhuisd en nu naar Wenen. Deze drie handschriften van Alamire werden echter opzettelijk achter gehouden. Deze bleven tot begin negentiende eeuw in Schloss Ambras voordat ze naar Wenen verhuisden. Vanaf 1890 werden de handschriften bewaard in het Kunsthistorisches Museum. In 1936 ging een groot deel van de voormalige bibliotheek van Schloss Ambras waaronder deze handschriften deel uitmaken van de collectie van de Nationalbibliotheek.
Zie ook De overige handschriften van Petrus Alamire in de Österreichische Nationalbibliothek zijn Koorboek voor Emanuel I van Portugal en Maria van Aragón Koorboek voor aartshertog Karel Koorboek van Maximiliaan I en Bianca Maria Sforza Koorboeken van Raimund Fugger. Negen handschriften
Voor alle 51 bewaarde handschriften van Alamire Lijst van muziekhandschriften van Petrus Alamire
Categorie:16e-eeuws boek Categorie:Verlucht handschrift