Ptychotherates is een geslacht van vleesetende saurischische dinosauriërs dat tijdens het late Trias leefde in het gebied van het huidige Noord-Amerika. De enige benoemde soort is Ptychotherates bucculentus.

Vondst en naamgeving In 1982 borg een team van het Carnegie Museum of Natural History in de Coelophysis Quarry van de Ghost Ranch in het noorden van New Mexico een raadselachtige klomp botten, vrijgemaakt uit blok C-3-82. Die werd opgeborgen in een lade. Drie decennia later bracht Sterling J. Nesbitt de klomp naar Virginia Tech en daar bekeek student Simba Srivastava het geval rond 2023 nog eens en concludeerde dat het om een gekraakte en samengeperste schedel ging. Wegens de rare vervormingen kreeg het de bijnaam Murder Muppet. Het fossiel werd bestudeerd door middel van een CAT-scan en door een computer gereconstrueerd.

In 2026 benoemden en beschreven Simba Srivastava en Sterling James Nesbitt de typesoort Ptychotherates bucculentus. De geslachtsnaam is een combinatie van het Grieks ptychos, "gevouwen", en therates, "jager", een verwijzing naar het feit dat de snuit helemaal onder het schedeldak was gevouwen en naar de moeite die het kostte de vondst te begrijpen. De soortaanduiding betekent "met dikke wangetjes", een verwijzing naar de grote breedte over de achterste kaken. De Life Science Identifiers zijn c96ab9e2-59ee-4758bb95-ec4253831cb9 voor het geslacht en f270573f-6a0b-4680ab56-11eecbe2f5df voor de soort.

Het holotype, CM 31368, is gevonden in een laag van de Chinleformatie die dateert uit het late Trias, ruwweg 205 miljoen jaar oud, dus uit het Rhaetien, en in ieder geval jonger dan een laag die exact te dateren valt op 211,9 miljoen jaar, uit het Norien. Het bestaat uit een schedel met onderkaken. De kop is zo sterk samengedrukt dat bijna alle schedelopeningen, vensters en holten in elkaar geperst zijn en het zeer moeilijk was de elementen te identificeren. De snuit en de voorste onderkaken zijn verdwenen, inclusief de meeste dentaire tanden op een reeks in het achterste dentarium na. De vervorming is uitzonderlijk en men nam aan dat de kop direct na de dood vertrappeld werd. De individuele leeftijd is onzeker.

Beschrijving Grootte en onderscheidende kenmerken

De schedel van het holotype heeft zoals gereconstrueerd een lengte van zo'n tweeëntwintig centimeter. Dat wijst op een lichaamslengte van rond de drie meter.

In 2026 werden verschillende onderscheidende kenmerken vastgesteld. Twee zijn autapomorfieën, unieke afgeleide eigenschappen. Het prefrontale is symmetrisch in zijaanzicht. Het lichaam van het jukbeen is in verhouding hoog, driemaal zo hoog als de achterste tak, langer dan de neergaande tak van het postorbitale (naar schatting) en meer dan half zo hoog dan het hoofdlichaam van het quadratum.

Verder is er een unieke combinatie van op zich niet unieke eigenschappen. De uitholling rond het bovenste slaapvenster zet zich voort op het achterdeel van het voorhoofdsbeen en het bovenvlak van het wandbeen. De opgaande tak van het bovenkaaksbeen loopt taps toe. Het bovenkaaksbeen mist een uitholling op het achterdeel onder de fenestra antorbitalis. Het otoccipitale heeft een in zijaanzicht brede neergaande tak ofwel crista interfenestralis. De neergaande tak van het squamosum is van voor naar achter breed met een uitholling op de buitenzijde van het achterdeel. Het retroarticulair uitsteeksel van de onderkaak is naar boven gedraaid direct voor het kaakgewricht. Het voorste buitenste deel van het postorbitale overhangt de oogkas. Het postorbitale overlapt naar achteren en buiten het squamosum. Het achterste slaapvenster is zo breed als de schedelopening. Het neusbeen en het voorhoofdsbeen zijn bovenop plat. De tanden zijn naar achteren gekromd en hebben in het bovenkaaksbeen vier tot vijf kartelingen per strekkende millimeter en in het dentarium vijf tot zes.

Skelet De schedel heeft, zoals gereconstrueerd, een gedrongen bol profiel. Of die reconstructie correct is, blijft daarbij onzeker want de schedelelementen zijn niet in anatomisch verband gevonden en het traanbeen alsmede de neergaande tak van het postorbitale die samen de hoogte van het cranium bepalen, ontbreken ten dele.

De onderrand van de oogkas ligt hoger dan de onderrand van de fenestra antorbitalis wat bij Dinosauromorpha uit het Trias verder alleen bij Tawa te vinden valt. Het bovenkaaksbeen draagt minstens zeven tanden. De achterste tak van het bovenkaaksbeen loopt taps toe met een licht holle onderrand. Het neusbeen heeft een zijrichel, maar die is niet heel scherp. De neusbeenderen worden achteraan ingekeept door de voorhoofdsbeenderen. Het T-vormige prefrontale vormt een derde van de bovenrand van de oogkas. Het postorbitale overlapt helemaal vooraan en ook achteraan het voorhoofdsbeen.

Fylogenie Ptychotherates werd in de Herrerasauria geplaatst in een nieuw benoemde klade Morphoraptora samen met Chindesaurus, Daemonosaurus en Tawa.

Literatuur

Categorie:Saurischia