Jan van der Groen (Den Haag (?), ca. 1635 – Rijswijk, 21 november 1671) was een Nederlandse plantenkweker en hovenier, die vanaf 1662 in dienst was van prins Willem III, eerst in Den Haag en later op de buitenplaatsen Huis Honselaarsdijk bij Naaldwijk en Huis ter Nieuburch bij Rijswijk. Hij is bekend gebleven dankzij zijn boek Den Nederlandtsen Hovenier, dat kort voor zijn dood verscheen en waarin hij de planten beschreef die destijds in sier- en moestuinen werden gekweekt, aangevuld met ontwerpen van tuinen en tuinmeubilair, die hij uit andere publicaties overnam.

Als hovenier was Van der Groen in de eerste plaats 'bloemist', zoals dat toen heette, dat wil zeggen kweker en verzorger van planten, geen tuinarchitect. Het ontwerp van de geometrische inrichting van de tuinen van de prinsen van Oranje was van de hand van de architecten die ook de gebouwen ontwierpen, zoals Pieter Post.

Levensloop Het is onbekend waar en wanneer Jan van der Groen geboren is. Zijn vader was Warnart Jansz. van der Groen, een bezemmaker in Den Haag. Warnart was in elk geval van 1639 tot 1667 lid van het Haagse gilde van manden- en bezemmakers, waarvan hij meerdere keren hoofdman was. Daarnaast kweekte hij, waarschijnlijk achter zijn huis aan de St. Jacobsstraat, bloembollen en exotische gewassen zoals citrusbomen ("orangeboomen"), die destijds in zwang waren. In 1652 kreeg hij 111 gulden voor de levering van "bloemen ende ander plantsoen" aan Huis Honselaarsdijk.

Jan van der Groen trouwde op 14 april 1659 in Loosduinen met de 35-jarige weduwe Anna Maria Blom (of Bloem). Haar vader was Arent Pietersz. Blom, die net als zijn zoon Maerten, als hovenier voor stadhouder Frederik Hendrik werkte. Hij woonde ook aan de St. Jacobsstraat en kweekte de bloemen en planten achter zijn huis. Arent Blom overleed kort na het huwelijk, waarna Van der Groen op 27 november 1659 twee huizen uit de boedel van zijn schoonvader kocht en diens kwekerij voortzette. Hij kweekte bollen, bloemen, fruitbomen en druiven.

Eind 1662 kwam Van der Groen in dienst van de 12-jarige Willem III als hovenier van de "thuynen op de Cingel". Hij volgde in deze functie zijn overleden zwager Maerten Blom op. Met "de Cingel" wordt hier de in 1643 gedempte Hofsingel rond het Binnenhof bedoeld. De tuinen lagen aan het Buitenhof, bij het Stadhouderlijk Kwartier aan de westelijke zijde van het Binnenhof met de Stadhouderspoort.Berkhout (2017), p. 70; eerder werd ten onrechte gedacht dat de tuinen van paleis Noordeinde werden bedoeld (zoals o.a. Oldenburger-Ebbers (1988), p. 11) De tuinen werden nieuw ingericht naar een ontwerp van Pieter Post, die eerder ook al had geadviseerd bij de oude Buitenhoftuin, oorspronkelijk gesticht door Maurits. Van der Groen beplantte de tuin met bollen, planten en bomen. Bij zijn functie hoorde ook gratis huisvesting in het "thuynhuys op de Cingel", dat hij eind 1664 met zijn gezin betrok. Zijn huizen aan de St. Jakobsstraat verkocht hij.

In deze periode schreef hij zijn boek Den Nederlandtsen Hovenier, waarin hij zijn ervaringen als kweker van honderden soorten planten en bomen vastlegde. Het boek werd in 1669 gepubliceerd door Marcus Doornick in Amsterdam. Op 1 april 1670 werd hij hovenier van de omvangrijke tuinen van Huis Honselaarsdijk, die ook waren ontworpen door Pieter Post, en verhuisde hij naar de hovenierswoning aldaar. Dertien maanden later verplaatste zijn werk zich naar de tuinen van Huis ter Nieuburch bij Rijswijk, een andere voormalige buitenplaats van Frederik Hendrik. Niet lang na deze laatste verhuizing overleed hij op zaterdag 21 november 1671 in de hovenierswoning te Rijswijk.

Illustraties uit Den Nederlandtsen Hovenier

Literatuur Carla S. Oldenburger-Ebbers (1988): Voorwoord van Den Nederlandtsen Hovenier, een integrale herdruk van het boek met een plantenlijst door D. Onno Wijnands, Stichting Matrijs, Utrecht Lenneke Berkhout (2017): Jan van der Groen, hovenier van de prins van Oranje. Nieuwe archiefgegevens over zijn leven, Bulletin KNOB, jaargang 116, 2017/2, p. 67-77

Categorie:Nederlands tuin- en landschapsarchitect