Georges Cornil (Charleroi, 13 mei 1863 – Ukkel, 11 januari 1944) was een Belgisch rechtsgeleerde en hoogleraar aan de Université libre de Bruxelles. Hij was specialist in het Romeins recht en speelde een centrale rol in de ontwikkeling van een meer moderne, sociologisch geïnspireerde benadering van het recht en de rechtsvergelijking.
Biografie Familie Georges Cornil werd geboren in een invloedrijke juridische familie. Zijn vader, Modeste Cornil, was hoogleraar aan de Université libre de Bruxelles, waar hij onder meer Romeins recht en burgerlijk recht doceerde, en daarnaast raadsheer in het Hof van Cassatie. Zijn broer Léon Cornil was rechtsgeleerde, hoogleraar aan de Université libre de Bruxelles en procureur-generaal bij het Hof van Cassatie. Hij was een oom van Maurice Cornil, advocaat, rechtsgeleerde en hoogleraar aan de Université libre de Bruxelles.
Hij trouwde in 1898 in Diksmuide met Jeanne Wauters (1873-1945), dochter van Paul Wauters, notaris in Diksmuide en voorzitter van de Fédération libre des notaires de Belgique. Ze kregen drie zoons en een dochter, onder wie Louis Cornil, afgevaardigd bestuurder van het Verbond der Belgische Nijverheid.
Academische loopbaan Cornil studeerde rechten aan de Université libre de Bruxelles, waar hij in 1884 promoveerde tot doctor in de rechten met de grootste onderscheiding. Na zijn studies trok hij naar Duitsland om zich verder te bekwamen, een gebruikelijke stap voor ambitieuze juristen van zijn generatie. Daar kwam hij onder invloed te staan van twee grote figuren uit de rechtswetenschap, Rudolf von Jhering in Göttingen en Bernhard Windscheid in Berlijn.
De invloed van Jhering, die het recht beschouwde als een levend instrument in dienst van de samenleving, en Windscheid, een vertegenwoordiger van de pandektistiek en de systematische studie van het Romeins recht, bepaalde in grote mate Cornils latere werk. Hij combineerde een sterke technische kennis met een filosofische en maatschappelijke benadering van het recht.
Cornil begon zijn academische loopbaan in 1890 aan de Université libre de Bruxelles als geaggregeerde docent. Hij doorliep vervolgens alle academische rangen en werd in 1900 benoemd tot gewoon hoogleraar. Hij bleef aan de universiteit verbonden tot zijn emeritaat in 1933.
Hij doceerde voornamelijk Romeins recht, waaronder de Instituten en de Pandekten, en gaf daarnaast onderwijs in arbeidsrecht aan de École des sciences politiques et sociales. Zijn onderwijs werd gekenmerkt door een vernieuwende aanpak: hij moedigde studenten aan om actief deel te nemen aan de colleges, vragen te stellen en kritisch na te denken, wat in die periode nog ongebruikelijk was.
Cornil Hij was decaan van de rechtsfaculteit van 1904 tot 1906, maar weigerde het rectoraat. In 1911 werd hij corresponderend lid van de Koninklijke Academie van België, waarvan hij in 1919 volwaardig lid werd. In 1931 werd hij voorzitter van deze instelling. Daarnaast stond hij van 1933 tot aan zijn overlijden aan het hoofd van het Institut des Hautes Études.
Wetenschappelijk werk Het werk van Cornil bestrijkt meerdere domeinen, maar zijn belangrijkste bijdragen liggen op het gebied van het Romeins recht, het arbeidsrecht, de rechtsvergelijking en de rechtsfilosofie. Kenmerkend voor zijn benadering was dat hij het Romeins recht niet als een afgesloten historisch systeem beschouwde, maar als een levende bron van inspiratie voor moderne rechtsontwikkeling.
Zijn belangrijkste werk op het gebied van het Romeins recht was het Traité de la possession dans le droit romain (1905), waarin hij de leer van het bezit analyseerde en deze in verband bracht met moderne rechtsstelsels. Hiermee leverde hij een belangrijke bijdrage aan de vergelijkende rechtswetenschap. Een ander monumentaal werk was Droit romain. Aperçu historique sommaire (1921), een omvangrijk overzicht van de geschiedenis van het Romeins recht dat bekroond werd met de vijfjaarlijkse prijs voor sociale wetenschappen (1917–1921). In 1930 publiceerde hij een herwerkte versie van een deel van dit werk onder de titel Ancien droit romain. Le problème des origines.
Naast zijn werk over het Romeins recht schreef Cornil ook belangrijke studies over sociaal recht en arbeidsrecht, waaronder Du louage de services au contrat de travail (1895), waarin hij de evolutie van arbeidsverhoudingen analyseerde, en L'assurance municipale contre le chômage involontaire (1898), waarin hij zich boog over sociale zekerheid en werkloosheid. Deze werken tonen zijn vroege interesse in sociale vraagstukken en zijn streven om het recht aan te passen aan maatschappelijke veranderingen.
Zijn belangstelling voor het rechtsvergelijkend recht kwam tot uiting in talrijke artikelen en bijdragen aan tijdschriften zoals Revue de droit international et de législation comparée. Hij analyseerde onder meer de relatie tussen het Romeins recht en moderne codificaties, zoals het Duitse Burgerlijk Wetboek van 1896 en het Zwitserse recht. Deze comparatieve benadering leverde hem internationale erkenning op, waaronder een eredoctoraat van de Universiteit van Lyon in 1926, op initiatief van de rechtsgeleerde Édouard Lambert.
Op het vlak van rechtsfilosofie publiceerde Cornil onder meer Le droit privé. Essai de sociologie juridique simplifiée (1924), waarin hij het recht benaderde vanuit een sociologisch perspectief en probeerde het toegankelijk te maken voor een breder publiek. Zijn filosofische werk werd gekenmerkt door een persoonlijke, reflectieve stijl en een sterke interesse in maatschappelijke evoluties.
Literatuur René DEKKERS, 'Georges Cornil', in Biographie nationale de Belgique, vol. 38, Brussel, Académie royale des sciences, des lettres et des beaux-arts de Belgique, 1973, 93-98.
Categorie:Belgisch rechtsgeleerde Categorie:Hoogleraar aan de Université libre de Bruxelles