De Rijtuigfabriek Hermans & Co was een fabriek met winkel voor rijtuigen en later auto-carrosseriën die heeft bestaan van ca.1842 tot 1927. De fabriek was opgericht door de Rotterdamse zadelmaker Mattheus Leonard Hermans (1812-1876). Hermans & Co is vooral vermaard geworden wegens de levering van statierijtuigen aan de hoven van Surakarta (Solo), Yogyakarta en Mangkunegaran in het derde kwart van de negentiende eeuw.

Geschiedenis Begin In de late jaren 1830 begint Hermans in Den Haag een handel in paarden en rijtuigen in de Tweede Wagenstraat in Den Haag. In 1839 verhuist hij naar de Korte Poten. Daar, in de omgeving van Het Plein en de Heerengracht, met winkels in luxe-artikelen en de Vrijmetselaarsloge van de Prins van Oranje, is hij dichter bij het publiek dat zich een eigen rijtuig kan veroorloven. Hij verkoopt tweedehands en geïmporteerde rijtuigen. De rijtuigenhandel brengt onontkoombaar herstel- en restauratiewerk met zich mee, waardoor hij de nodige ambachtelijke expertise verzamelt om enkele jaren later de volgende stap te kunnen zetten: de nieuwbouw van rijtuigen. Presenteert hij zich tot 1841 als meester-zadelmaker, vanaf 1842 wordt het M.L. Hermans en Comp., Rijtuigfabrikanten. In 1842 stoot hij zijn hooizolders af, wat lijkt te betekenen dat hij stopt met de paardenhandel.

Expansie Als ondernemer is Mattheus Hermans een actief netwerker. In 1851 is hij voorzitter van de eerste vergadering van de Vereeniging ter bevordering van fabrieks- en handwerks-nijverheid in Nederland en hij zal als secretaris deel blijven uitmaken van het hoofdbestuur. In 1853 is hij een van de oprichters van de Kamer van Koophandel in Den Haag. Hij stelt zich kandidaat voor de Haagse gemeenteraad. Hij neemt zitting in de commissies die zich bezighouden met de Nederlandse bijdrage aan de Wereldtentoonstellingen van Londen, Dublin en Parijs.

Hermans’ bedrijfsstrategie is om binnen Nederland een bedrijf te realiseren dat effectief kan concurreren met de toonaangevende Franse en Britse rijtuigbouwers. Hij streeft ernaar zoveel mogelijk eigen rijtuigen te verkopen en de import en tweedehandsverkoop terug te dringen. Hij beperkt zijn eigen productie tot luxe-rijtuigen. Voor zijn eigen ontwerpen neemt hij als uitgangspunt de meest elegante modellen van de destijds toonaangevende Parijse carrossiers. In 1849 houdt hij een veiling van ‘een groot aantal zoo nieuwe als gebruikte rijtuigen’. In 1850 stelt hij ‘op veler verzoek’ enkele dagen publiekelijk de rijtuigen tentoon die hij heeft gemaakt voor de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië. Hermans doet inzendingen naar de Exhibition of Industry of All Nations in New York van 1853 en de Exhibition universelle van Parijs in 1855. In Parijs toont hij onder andere de calèche de promenade die door Koning Willem III was besteld. Aan zijn inzending voegt hij een vernieuwbouwde achttiende-eeuwse chais toe, die voorzien is van ‘penseel-arbeid’ met ‘veel kunstwaarde,’ waarmee hij kennelijk wil onderstrepen dat Hermans een traditie van kwalitatief hoogstaande rijtuigbouw in Nederland vertegenwoordigt. De internationale tentoonstellingen leveren medailles op en daarmee kan Hermans adverteren. In 1855 heet de fabriek bij de pers al ‘met roem bekend’. In 1857 kondigt Hermans aan te zullen stoppen met de verkoop van buitenlandse rijtuigen. Hermans exposeert met succes op de Wereldtentoonstellingen van Londen in 1862 en Parijs van 1867. Hij verkoopt rijtuigen aan onder andere het Koninklijk Huis, de koningin van Zweden en de Keizer van Japan.

Fabriek De fabriek is sinds september 1855 gevestigd aan de Fluwelen Burgwal 13-17, strekkend tot de Koediefstraat. In deze grote fabriek kan Hermans de verschillende bij de rijtuigbouw betrokken ambachten bij elkaar huisvesten en qua personeelsomvang doorgroeien. In 1850 heeft Hermans 20 medewerkers, in 1858 69 (18 onder de achttien en 51 er boven). Vanaf 1867 werken aan de Fluweelen Burgwal 150 mensen plus 5 leerlingen onder de zestien.Den Haag, Haags Gemeentearchief: Verslagen en handelingen van de gemeenteraad van Den Haag 1851-2005. De fabriek bestaat uit zes afdelingen: ontwerpafdeling, smederij, wielmakerij, timmermanswerkplaats/wagenmakerij, stoffeerderij en schilderswerkplaats. De ambachtslieden die er werken worden betaald op basis van stukloon en ze nemen hun eigen werktuigen mee. Vanaf 1864 wordt in de fabriek stoomkracht ingezet voor zaagwerk, bediening blaasbalgen en bij het maken van assen en wielen omdat machines met meer precisie gaten kunnen boren in naaf en velg. Het karakter van de fabriek blijft ambachtelijk.

De dagelijkse leiding van de fabriek komt te liggen bij Andries Jacobus Haaxman (1817-1896). Deze Delftse zadelmaker is in 1843 bij Hermans begonnen. In de loop van de jaren ontwikkelt Haaxman zich tot rijtuigmaker, fabriekmeester, om in 1866 fabrieksdirecteur te worden. Hermans en Haaxman wonen in eigen appartementen op de Fluwelen Burgwal nr.15. Beschrijvingen van de fabriek en van Haaxmans woonhuis zijn overgeleverd van de Haagse chroniqueur Johan Gram, van Andries Haaxmans neef Pieter Anne Haaxman en zijn achternicht Jeanne de Loos-Haaxman.

Statierijtuigen voor Java In 1857 levert Hermans zijn eerste statierijtuig aan een vorst op Java, de Kyai Wimanaputra voor Sultan Hamengku Buwono VI van Yogyakarta en die de eerste officiële koets van de Sultan zal zijn tot Hermans in 1869 een rijker exemplaar zal leveren. In datzelfde jaar bestelt Susuhunan Paku Buwono VII van Surakarta, ook bekend als de Keizer van Solo, een statierijtuig bij Hermans. Deze is in 1859 gereed en ‘overtreft in pracht en netheid van bewerking, al wat tot dus ver van dien aard alhier is gefabriceerd’.Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage 14-7-1859 Het rijtuig is een tijdlang tegen betaling te bezichtigen in een zaal van de Koninklijke Teekenacademie in Den Haag. Met dit rijtuig verdient Hermans vanuit Parijs de erkenning op hetzelfde niveau te staan als de rijtuigbouwers van Frankrijk, België en Groot-Brittannië. In Solo krijgt het rijtuig de pusaka-naam van Kyai Garuda Kencana.

In 1869 stelt Hermans weer tegen betaling het nieuwe statierijtuig voor de Sultan van Yogyakarta tentoon, ditmaal in de eigen Bazar. De lokale pers is verrukt over dit statierijtuig met ‘zoo vele détails, die met elkaêr wedijveren in losheid van lijnen, in goede smaak en oogverblindende pracht’.Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage 10-10-1869 Het rijtuig is groter dan dat voor Solo. In Yogyakarta krijgt het rijtuig de poesaka-naam van Kyai Garuda Yaksa. Dit rijtuig wordt het eerste rijtuig voor de Sultan en de Kyai Wimanaputra is voortaan het officiële rijtuig voor de kroonprins. De Garuda Yaksa is de grootste van de 'gouden koetsen' voor Java.

De ornamentiek van de rijtuigen, met draken, kronen, slangen, hoornen van overvloed en dergelijke is misschien oriëntaliserend bedoeld, maar feitelijk Europees. De ontwerpers hebben zich gebaseerd op platenatlassen uit de Koninklijke Bibliotheek.Ned. Magazijn 1859, 269 noot. Zie ook Haagsman (2025), 199 Het is waarschijnlijk dat de broer van Andries Haaxman, de kunstschilder Pieter Alardus Haaxman, hierbij betrokken is geweest. Pieter Alardus is ook verantwoordelijk voor de 'penseel-arbeid' aan de chais en heeft topstukken van de fabriek geschilderd om te dienen als reclameplaten in het directiekantoor van Hermans. Hiervan bestaan er nog twee: het schilderij van de Garuda Yaksa in de collectie van het Nationaal Rijtuigmuseum in Leek, Groningen, en dat van het statierijtuig van Mangkunegaran in het Rijksmuseum te Amsterdam. miniatuur|Statierijtuig voor Mangkunegegaran, 1875 Het rijtuig voor Mangkunegara IV, de hertog van Mangkunegaran, is het laatste van Hermans statierijtuigen voor de Javaanse vorstenlanden. In overeenstemming met de mindere rang van de hertog is dit rijtuig wat kleiner en eenvoudiger uitgevoerd, maar nog steeds gemaakt van de beste materialen.Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage, 9-12-1875. Het wordt in 1875 weer tentoongesteld, gratis ditmaal en het krijgt niet zoveel belangstelling meer van de pers. Op Java krijgt het de pusaka-naam Kyai Condroretno.

Voor zover bekend zijn de rijtuigen door de Javaanse vorsten zelf besteld en betaald.Brief prins Poeroebojo aan Jeane Terwen-de Loos, 5-9 en 26-9-1966, zie Haagsman (2025), 200. Ze hebben vermoedelijk Hermans gekozen op advies vanuit het Binnenlands Bestuur op Java, of omdat vertegenwoordigers van de kraton de wereldtentoonstellingen hebben bezocht.Bijv. NRC 18-6-1862, 1 en Alg. Handelbd. 19-6-1862, 1, etc. Hermans' Javaanse statiekoetsen zijn nog altijd in gebruik voor hoogtijmomenten binnen hun kratons, bijvoorbeeld voor een rijtoer na de kroning van een nieuwe Sultan. De rijtuigen van Yogyakarta zijn te bezichtigen in het Wahanarata Museum.

Neergang Mattheus Hermans is eind 1875 al enige tijd ernstig ziek en hij overlijdt in juni van het jaar daarop. Zijn rol wordt overgenomen door de boekhouder Johannes W. Paesie, zoon van een broodbakker, die in 1857 als 14-jarige leerjongen bij Hermans was begonnen. Zoals Hermans wordt Paesie actief in verschillende belangenverenigingen, maar hij blijkt uiteindelijk als strateeg en netwerker minder effectief dan Hermans. De fabriek komt lange tijd niet meer in het nieuws voor haar producten, Paesie vooral vanwege de feestelijkheden rond zijn 25-jarig jubileum bij het bedrijf. In oktober 1877 wordt de fabriek grotendeels verwoest door een grote brand. Begin 1886 behoort Hermans tot de bedrijven die de Tweede Kamer verzoeken om importheffingen ter bescherming van hun concurrentiepositie. Andries Haaxman overlijdt in 1896. Het laatste spraakmakende rijtuig van Hermans is de Ivoren of Crème Calèche van 1898 die koningin Emma schenkt aan Wilhelmina. De Nederlandse Gouden Koets van datzelfde jaar wordt echter gebouwd door de Amsterdamse fabriek van Spyker, die zich daarbij wel heeft laten inspireren door Hermans' Javaanse koetsen.

Ten tijde van Paesies gouden jubileum in 1907 produceert de fabriek ook automobielcarrosserieën. Na zijn dood in 1911 wordt hij opgevolgd door Matthieu Zuur, kleinzoon van Mattheus Hermans. De fabriek moet inkrimpen tijdens de Eerste Wereldoorlog en zal niet meer herstellen. Zuur sluit de fabriek in 1927.

Literatuur P. Blasson des Pierres, ‘La carrosserie de luxe à La Haye: Maison L.Hermans & Co.’ In: Le panthéon de l’industrie : journal hebdomadaire illustré, Paris, Jrg 16, nr.805, november (1890), p.327f. J. Gram, 's Gravenhage in onzen tijd, Den Haag: J.L. Beijers.(1893), blz.92-94. D. Haagsman, Een Nederlandse geschiedenis. Zoetermeer: Optehaag, 2025, , blz. 190-203. P.A. Haaxman jr., Haagsche Schetsen. Personen en voorvallen vijftig jaar geleden. Herinneringen van een journalist; 's-Gravenhage: W.P. van Stockum & Zoon N.V. (1918). P.A. Haaxman jr., De Koninklijke Rijtuigfabriek M.L.Hermans & Co. Het Vaderland, 21-6-1927. J. de Loos-Haaxman, Een huis aan de Fluwelen Burgwal. Die Haghe Jaarboek (1958), 98-100. J. Terwen-de Loos, De gouden koets van de Sultan, Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde, 123, 3 (1967), Leiden, 366-372. H.B. Vos, Kratonkoetsen op Java. Amsterdam [etc.]: De Bataafsche Leeuw, 1986, H. Wibowo, Perbandingan Ragam Hias Kereta Kyai Garuda Kencana Dan Garuda Yaksa (Ornaments Comparison of Kyai Garuda Kencana and Garuda Yaksa Carriage). Forum Arkeologi 31 (1) Juni 2018. p. 29-44. DOI:10.24832/fa.v31i1.453.

Bronnen en referenties

Categorie:Voormalig Nederlands bedrijf