De Royal Academy of Music was een operagezelschap in Londen, in 1719 opgericht door de componist Georg Friedrich Händel. Het gezelschap richtte zich specifiek op het uitvoeren van opera's in Italiaanse stijl en leverde een essentiële bijdrage aan de ontwikkeling van het genre in Engeland. Na de eerste uitvoering op 2 april 1720 volgden succesvolle jaren met vele operapremières en beroemde solisten. Oplopende financiële problemen zorgden in 1728 echter voor de opheffing van de Royal Academy. Van 1729 tot 1734 maakte Händel nog een doorstart met de Second Academy.
Voorgeschiedenis De eerste opera in Italiaanse stijl die in Londen werd opgevoerd, was Gli amori d'Ergasto van Jakob Greber, in 1705. Hierna volgden diverse nieuwe producties, waaronder Händels opera's Rinaldo (1711), Teseo (1713) en Amadigi di Gaula (1715). miniatuur|Georg Friedrich Händel, oprichter van de Royal Society of Music Na het seizoen 1716-1717 kwam er een tijdelijk einde aan de opvoeringen, ondanks Händels grote populariteit. Ook de inspanningen van impresario John James Heidegger mochten niet baten. De kosten van een operaproductie waren namelijk hoog en dus risicovol. Elke productie werd doorgaans gefinancierd met behulp van inschrijving: geïnteresseerden legden een bedrag in waarmee ze recht kregen op een kaartje voor de eerste zes uitvoeringsavonden. De rest van de uitvoeringen was voor risico van de producent en de ervaring leerde dat de inkomsten vaak onvoldoende waren om de kosten te dekken. Daarnaast was er in de periode 1717-1720 een hevige ruzie gaande tussen koning George I en zijn zoon George, de Prins van Wales. Dit zorgde voor verdeeldheid binnen de rijke sociale bovenklasse, die zich door deze problemen minder bezig hield met theaterbezoek.
Het gebrek aan operaproducties was voor Händel een probleem. Bovendien bevond hij zich door de koninklijke ruzie tussen twee vuren: hij was kapelmeester van koning George maar ook een vriend van de echtgenote van de Prins van Wales. Hij verliet Londen dan ook in de zomer van 1717 en keerde pas in februari 1719 terug.
Voorbereidingen Eind 1718 ontstonden de eerste plannen voor het oprichten van de Royal Academy of Music. In januari 1719 ontving koning George een verzoek voor de oprichting van het gezelschap. In april verscheen een voorstel, waarin werd gekozen voor een nieuwe investeringsvorm: geïnteresseerden schreven zich niet langer in voor de productie van slechts één opera, maar zij kochten een vast aandeel in de Royal Academy en werden daarmee aandeelhouder van het gezelschap. Op deze manier hoopte Händel dat de financiële stabiliteit was gegarandeerd voor een periode van 21 jaar. Ook voor de aandeelhouders zou het gunstig uitpakken: ze ontvingen voortaan een dividend én ze hoefden niet meer per opera in te schrijven en betalen, wat uiteindelijk voordeliger zou zijn.
Op 27 juli 1719 werd de oprichtingsakte getekend, waarbij de aandelen op 200 pond per stuk werden bepaald. Met 63 inschrijvers kwam dit neer op een startkapitaal van 15.600 pond.
De Royal Academy had gedurende zijn bestaan ook nog andere inkomsten, zoals het jaarbedrag van 1000 pond dat de koning als subsidie verstrekte. In het seizoen 1721-1722 werden nog eens extra inkomsten verkregen uit jaarabonnementen: voor 20 guineas kon men 50 toegangskaarten verkrijgen. In het seizoen van 1723-1724 telde de Royal Academy een totaal van 133 abonnementhouders en aandeelhouders.
Op zoek naar zangers miniatuur Händel ging in de zomer van 1719 naar Italië en Duitsland, op zoek naar Italiaanse zangers. Hij probeerde beroemdheden vast te leggen als de castraatzanger Senesino, de sopraan Margherita Durastanti en de bas Giuseppe Maria Boschi. De meesten zaten echter nog vast aan een contract, dus moest hij het voorlopig vooral doen met Engelse zangers. Händel zelf werd op 30 november benoemd tot orkestmeester en Giovanni Bononcini werd aangetrokken als componist en orkestlid.
Bestuur De koning had een grote invloed op het bestuur van de Royal Academy. Hij vaardigde de Lord Chamberlain af als vaste voorzitter die ook nog eens beschikte over het vetorecht. De eerste voorzitter was Thomas Pelham-Holles, hertog van Newcastle; vanaf 1724 werd de functie uitgevoerd door Charles Fitzroy, hertog van Grafton. Daarnaast werden er jaarlijks 15 tot 20 directeuren gekozen en een deputy governor, die waarschijnlijk vooral de zakelijke kant regelde. De eerste groep van 15 directeuren werd in 1719 aangesteld, met aristocraten als de hertog van Portland, de earl van Burlington, kolonel John Blathwayt en Sir John Vanbrugh. Deze directieraad had een stem in de aanname van nieuwe zangers en de keuze voor opera's.
1720-1728: van opening tot faillissement Op 2 april 1720 vond de opening plaats van de Royal Academy of Music in het King's Teatre met de opera Numitore van Giovanni Porta. De uitvoering trok echter weinig aandacht in de pers.
Het grote muzikale succes kwam alsnog op 27 april, met de première van Händels opera Radamisto. Koning George was nu officieel verzoend met zijn zoon, dus beiden waren ook bij de première aanwezig. Händel had de sopraan Margherita Durastanti aangetrokken voor de titelrol; castraatzanger Benedetto Baldassari zong als Fraarte, terwijl de Engelse zangeres Anastasia Robinson de rol van Zenobia zong. miniatuur|Senesino en Bordoni in de opera Admeto (1727).
Tweede seizoen De zangers Senesino en Giuseppe Boschi en de componist Bononcini waren in de loop van 1720 ook in Londen aangekomen. Voor het tweede seizoen (1720-1721) leverde Bononcini de openingsopera Astarto aan, op een libretto van Paolo Rolli, met Senesino in de hoofdrol. Händel paste de zangpartijen in zijn opera Radamisto zo aan dat Senesino nu de titelrol kon zingen en Boschi de rol van Tiridate. Op 28 december ging de vernieuwde productie in première.
Vechtpartij Gedurende de jaren wist Händel beroemde zangers en zangeressen aan te trekken. In 1723 begon Francesca Cuzzoni aan haar succesvolle carrière bij de Royal Academy met de rol van Teofane in Ottone. Vier jaar later haalde hij de sopraan Faustina Bordoni binnen, wat het begin werd van een bittere concurrentiestrijd tussen de twee zangeressen. In 1727 eindigde deze strijd met een vechtpartij tussen beide sopranen tijdens een operauitvoering.
Financiële problemen Financieel ging het met de Royal Academy niet goed. Alleen in 1723 werd er daadwerkelijk dividend uitgekeerd. De strijd tussen de prima donna's Cuzzoni en Bordoni verergerde bovendien de financiële problemen. Ook was voor het publiek de nieuwigheid van het operagezelschap er wel af. Regelmatig moest de aandeelhouders dan ook om aanvullend kapitaal worden gevraagd. In het seizoen 1727-1728 stonden er nog drie nieuwe opera's van Händel op het programma, maar een volgend seizoen zat er niet meer in.
In juni 1728 ging de Royal Academy failliet en werd opgeheven. Er was nog wel een aantal van 35 inschrijvers voor aandelen, maar Händel en Heidegger kregen het niet meer voor elkaar om genoeg zangers aan te trekken: de operazangers waren inmiddels allemaal vertrokken naar het Europese vasteland en wilden alleen terugkeren als zij garanties kregen voor vaste inkomsten. Cuzzoni weigerde sowieso om in Londen te blijven, aangezien haar rivale Bordoni een guinea meer salaris aangeboden kreeg.
Second Academy In het seizoen 1729-1730 waren er opnieuw operaproducties van Händel en Heidegger in het King's Theatre. Het bestuur van de Royal Academy had namelijk al eerder toestemming gegeven om voor een periode van vijf jaar in het King's Theatre opera's te produceren. Met de verhoogde financiële hulp van de koning kon Händel dus een doorstart maken met deze zogenaamde Second Academy.
In 1733 werd de concurrerende Opera of the Nobility opgericht. Dit nieuwe gezelschap gaf uitvoeringen in het theater van Lincoln's Inn Fields, maar wist in 1734 het King's Theatre van Händel over te nemen. Händel moest nu uitwijken naar een nieuw theater in Covent Garden. Verder wist de Opera of the Nobility ook diverse zangers weg te kapen uit Händels Second Academy.
In 1734 kwam een einde aan de Second Academy. Händel ging overigens wel door met operaproducties, waaronder Alcina en Ariodante, beide in Covent Garden opgevoerd. In 1737 ging de Opera of the Nobility failliet en Händel keerde terug met zijn producties naar het King's Theatre.
Betekenis De Royal Academy wist in zijn negenjarig bestaan het niveau van operauitvoeringen in Londen te verhogen. Zowel de artistieke kwaliteiten als de producties zelf waren beter dan voorheen. Waar in voorgaande jaren vaak werd gekozen voor magische verhalen en tragikomische thema's, waren de nieuwe producties gericht op serieuze verhalen die met waardigheid werden gebracht. De directieraad had ook een voorkeur voor serieuze, heroïsche opera's met een morele en historische ondertoon. Daarom werden libretti als Partenope (1726) en Ormisda (1730) afgewezen door de directie.
De Royal Academy bood Händel de mogelijkheid zijn beste opera's ten uitvoer te brengen, zoals Rodelinda (1725), Ottone, Giulio Cesare (1724) en Tamerlano (1724). Ongeveer de helft van de uitvoeringen bij de Royal Academy betrof werk van Händel. Van Bononcini verschenen in de beginjaren van de Royal Academy ook vele operauitvoeringen, waaronder Ciro, Griselda en Crispo; in 1722 kwam er echter reeds een einde aan zijn dienstverband.
Categorie:Operagezelschap Categorie:Cultuur in Londen