Gur (ook: Ardeshir Khwarrah of Oud-Firuzabad, ook geschreven als Goor, Gor of Gour) is een voormalige stad in het district Firuzabad in de Iraanse provincie Fars. De stad werd in het begin van de 3e eeuw na Christus gesticht in opdracht van Ardashir, vóór zijn opstand tegen Artabanus IV. Op haar hoogtepunt was Gur het centrum van een deel van de provincie Fars, ook genaamd Ardeshir Khwarrah. De stad had een cirkelvormig ontwerp en wordt wel de eerste cirkelvormige stad ter wereld genoemd, met een diameter van twee kilometer, vier hoofdpoorten en overheidsgebouwen en residenties voor hovelingen. De oude stad Gur is nu verlaten en de huidige stad Firuzabad ligt op drie kilometer afstand.
De locatie maakt deel uit van de UNESCO-Werelderfgoedlijst als deel van de inschrijving Archeologisch landschap van de Sassaniden in de regio Fars.
Naam Ardashir, de latere stichter van de Sassanidische dynastie, noemde zijn nieuw gestichte stad officieel Ardashir Khwarrah, wat "doorwaadbare plaats van Ardashir" betekent. In pre-islamitische bronnen stond de stad echter ook bekend als Gōr, wat na de komst van de islam door de Arabieren werd uitgesproken als Jur. Historici hebben dit woord geïnterpreteerd als vlakte, heuvel of kuil.
De naam Firuzabad wordt geacht al sinds de 10e eeuw in gebruik te zijn. Azad al-Dawlah Daylami, die vaak in de stad verbleef, beschouwde de naam Gur als onheilspellend, en veranderde deze in Firuzabad. Numismatisch bewijs suggereert echter dat de naam nog verder teruggaat: op een koperen munt uit het Omajjaden-tijdperk, geslagen in Ardashir Khwarrah verschijnt het woord Pirouzabad als de naam van een munthuis.
Geschiedenis
Voor de islam Volgens Zakariya al-Qazwini in zijn boek Al-Mu'jam fi Athar Maluk Al-Ajam was Gur een grote stad met een sterke muur, zodat Alexander de Grote Gur niet kon aanvallen. Op diens bevel zou de rivier die naar de stad leidde vier jaar lang met riet geblokkeerd zijn. Na vier jaar brak de dam, en de torens van Gur stortten in door het water. Daarna zwoer Ardashir, die in opstand was gekomen tegen Artabanus IV de Parthiër, dat hij op deze plek een nieuwe stad zou bouwen. Nadat hij de troon had bestegen, zou Ardashir de bergen rond de vlakte laten afgraven om het water af te leiden. Daarna bouwde hij de nieuwe stad Gur op het droge land, en vestigde daar zijn troon.
Tegenwoordig twijfelen deskundigen aan de waarheid van dit verhaal en de overstroming van de Firuzabad-vlakte. De meesten accepteren het verhaal van Tabari, volgens welke Ardashir rond 224 n.Chr. begon met de bouw van de stad als een machtsvertoon tegen de laatste Parthische koning.
Na Ardashir bleef de stad welvarend en centraal dankzij haar relatie met de Sassanidische dynastie. Het bleef het hart van de regio Ardashir Khwarrah, hoewel het enigszins in de schaduw raakte van Bishapur, de nieuwe stad van Shapur I.
Na de komst van de islam Gur was het laatste bolwerk van Yazdagird III in Fars dat in 650 in handen viel van de moslims, tijdens het kalifaat van Uthman ibn Affan. Na de val van de stad vluchtte Yazdgerd via Kerman naar Khorasan. Tijdens het Rashidun-kalifaat werd de gouverneur van Gur benoemd door de gouverneur van de verenigde provincie Basra - Ahvaz - Fars.
In de vroege islamitische periode investeerden de Boejiden, die Shiraz tot hun hoofdstad hadden gemaakt, ook in de ontwikkeling van de stad Gur. In opdracht van Azd al-Dawlah al-Daylami werden in de stad een vrijdagmoskee en een ziekenhuis gebouwd. Abu Mansur Bahram ibn Mafaneh, de minister van Abu Kalijar al-Daylami, schonk de stad een grote bibliotheek, Dar al-Alam genaamd, met 19.000 boeken.
Economie In de 4e eeuw was Gur een rijke en welvarende stad met een gematigd klimaat, overvloedig water en vele tuinen en bloemperken. Tuinen en adellijke huizen bedekten de buitenwijken van de stad in een straal van anderhalve kilometer.
In de regio werden diverse producten vervaardigd: sterke drank, fruit, textiel en andere. Rozenwater uit Gur en Kavar werd geëxporteerd naar China, India, Byzantium, Egypte, Jemen, de Maghreb en Europa. De roos van Gur was bekend in islamitische landen en beroemd onder de Arabieren vanwege haar aangename geur en transparante kleur. Nog vandaag de dag worden Damascenerrozen in het Arabisch al-Ward al-Juri genoemd. Andere kruidenproducten waren extracten van palmbloesem, duizendblad, saffraan en wilgenbast.
Het huidige Firuzabad De oude stad raakte in verval en werd om onbekende redenen in de 13e -14e eeuw verlaten. Buiten de oude stadsmuren ontstond er een dorp, dat tot de Kadjaren-periode bekend stond als Deh Kushk. De huidige stad Firuzabad ontstond uit dit dorp.
Ligging Het Ardashir Khwarrah-complex werd ontworpen met een zeer specifiek doel en met een prioriteit voor verdediging. De vlakte van Firuzabad, waar de stad werd gebouwd, is aan alle kanten omgeven door bergen. De belangrijkste toegang tot de vlakte is de strategische Tangab-pas, op de klif waarboven Qal'eh Dokhtar (Ardashirs oorspronkelijke residentie) ligt. De ligging van het kasteel is zodanig dat het niet alleen de river, maar ook de weg naar het paleis van Ardashir en de stad overziet.
De verdedigingswerken strekten zich uit tot buiten de stad. De overblijfselen van een radiaal netwerk van verdedigingsmuren zijn nog steeds te zien in de vlakte en de uitlopers van de bergen tot 10 kilometer van het centrum van Gur.
Monumenten
Binnen de stad miniatuur|Takht-e Neshin, met op de achtergrond de Minar De Minar: Een vierkante pilaar gemaakt van kalksteen en pleistermortel, gelegen precies in het geometrische centrum van de stadscirkel. Tegenwoordig is hij 33 meter hoog en elke zijde van de basis is 11 meter. Het doel van de Minar is onbekend. Volgens Istakhri bevond zich er een vuurtempel bovenop en werd er een kanaal gegraven vanuit de nabijgelegen berg, dat water naar de top van de minaret bracht als een fontein. Volgens Dietrich Huff is dit gebouw het overblijfsel van een getrapte toren die ten tijde van de bouw ongeveer 78 meter hoog was en mogelijk de belichaming was van de macht en het gezag van de koning. Takht-e-Neshin, of Vuurtempel van Ardashir: Een gebouw 100 meter ten zuidoosten van de Minar, waarvan tegenwoordig alleen nog de fundering over is. Men neemt doorgaans aan dat het als gebedshuis of paleis werd gebruikt. In januari 2005 ontdekten archeologen een stenen poort in de Perzische architectuurstijl, samen met een stenen bestrating in het oostelijke deel van de Takht-e-Neshin. Observatorium: een cirkelvormige bakstenen constructie met een diameter van 65,5 meter, waarin zich twaalf platforms met astronomische tekens bevinden. Volgens archeologen zijn het de overblijfselen van een observatorium uit de Sassanidische periode. Het werd beschouwd als een meesterwerk van de Iraanse wetenschap uit die tijd. Het observatorium van Gur werd in 2005 ontdekt door de Duitse archeoloog Dietrich Hof. Deze vond een cirkelvormig gebouw uit leem en bakstenen. Voor zover bekend is het observatorium van Gur een van de oudste observatoria in Iran, en laat zien hoe geavanceerd Iran was tijdens de Sassanidische periode.
Buiten de stad miniatuur|Paleis van Ardeshir Qal'eh Dokhtar: Een vesting-paleis in de heuvels van Firuzabad, waarvan de bouw wordt toegeschreven aan Ardashir. In het hoogste deel van deze vesting bevinden zich de overblijfselen van een hal met een grote veranda en een koepeldak, die waarschijnlijk de residentie was van Ardashir en zijn familie. Het Qal'eh Dokhtar-complex en de omliggende wallen werden beschouwd als onderdeel van de vestingwerken van Gur.
Het paleis van Ardashir (ook Vuurtempel van Ardashir): een groot gebouw in het noorden van de stad, waarschijnlijk de locatie van de drie heilige vuren of de residentie en openbare hal van Ardashir. De fundamentele kenmerken van de monumentale Sassanidische architectuur, zoals de grote ingangsportiek, de binnenplaats met tegenoverliggende portieken en de koepelvormige kamers, zijn duidelijk zichtbaar in dit gebouw. De ontdekking van vier muurschilderingen van Sassanidische prinsen in 2005 trok veel aandacht naar de site.
Mihr-Narsehbrug: Een brug bij de Tangab-pas, vlakbij het Tajestani-reliëf van Ardashir (zie hieronder), gebouwd in opdracht van de machtige Sassanidische vizier Mihr-Narseh. De brug, die ooit meer dan 50 meter lang was, had een hoofdoverspanning en verschillende zijoverspanningen, waarvan nu alleen nog een grote stenen basis over is. Het lichaam van de basis is gemaakt van puin en mortel, en de gevel bestaat uit gehouwen stenen stukken die met ijzeren bevestigingsmiddelen aan elkaar zijn verbonden. Mehrnarseh, die zelf geboren was in een van de dorpen van Ardashirkhore, verrichtte veel bouwactiviteiten in dit gebied. In een korte Pahlavi-inscriptie naast het reliëf van Ardashir introduceerde hij zichzelf als de stichter van de brug en vroeg hij reizigers en voorbijgangers om hun zegen.
Op de rotswanden van Tangab zijn ook twee reliefs te zien:
Overwinningsreliëf: Op dit reliëf zijn Ardashir en zijn zoon Shapur afgebeeld, rijdend op paarden op het slagveld, waarbij Ardashir Artabanus met een speer van zijn paard stoot Investituurreliëf: Een afbeelding van Ardashir die het koningschap ontvangt van Ahura Mazda in aanwezigheid van hovelingen
Categorie:Werelderfgoed in Iran Categorie:Architectuur in Iran Categorie:Sassanidische architectuur Categorie:Nationale werken van Iran