De Bombardementen op Doetinchem van 19, 21 en 23 maart 1945 waren drie geallieerde luchtaanvallen op de Gelderse stad Doetinchem in de slotfase van de Tweede Wereldoorlog. Bij de drie bombardementen, uitgevoerd in een tijdsbestek van vijf dagen, kwamen ten minste 143 mensen om het leven en werden ongeveer 120 gebouwen in het historische stadscentrum verwoest, waaronder het achttiende-eeuwse stadhuis, de Sint-Catharinakerk en de synagoge. De binnenstad bleef daarmee, op enkele gevels na, vrijwel volledig in puin achter. Het tweede bombardement van 21 maart geldt blijkens later onderzoek als een vergissing, het eerste van 19 maart richtte zich op de Nemaho-fabriek, terwijl voor het derde bombardement van 23 maart tot op heden geen sluitende verklaring is gevonden.
Voorgeschiedenis Tot in de eerste maanden van 1945 was Doetinchem als enige stad van betekenis in de Achterhoek vrijwel ongeschonden door de bezettingstijd gekomen. Wel was de stad strategisch van belang geworden door haar ligging vlak achter de Duitse Westwall en aan de oever van de Oude IJssel, op de marsroute van de geallieerden naar Berlijn. Rondom Doetinchem hadden de Duitse bezetters versterkingen aangelegd: tankvallen, loopgraven en met beton gevulde tramwagons die op speciaal aangelegde rails bij de ingangen van de Waterstraat, Grutstraat, Hamburgerstraat en Heezenstraat waren geplaatst. De toegangswegen waren ondermijnd. Op de Molenberg stond luchtafweergeschut opgesteld. In de stad was de Nemaho-fabriek door de Duitsers gevorderd als reparatiewerkplaats voor tanks en andere voertuigen.
In de zomer van 1944 hadden de Duitsers wetenschappelijke apparatuur uit het Kamerlingh Onnes Laboratorium in Leiden en het Natuurkundig Laboratorium van de Vrije Universiteit te Amsterdam overgebracht naar de Groen van Prinsterer-kweekschool aan de Wilhelminastraat in Doetinchem (door de Duitse bezetter omgedoopt tot Thorbeckestraat). In de gymzaal van de school werd een kriegswichtiges Laboratorium ingericht voor kernfysisch onderzoek. Een verzetsman hield het gebouw vanuit een naburige woning in de gaten en gaf zijn waarnemingen via geheime telefoonverbindingen door aan Londen. In september 1944, toen de geallieerde opmars in het zuiden van Nederland op gang kwam, werd de apparatuur door de Duitsers haastig per trein naar Duitsland afgevoerd; het schoolgebouw werd vervolgens als noodhospitaal van het Rode Kruis in gebruik genomen voor de verzorging van dwangarbeiders uit kamp Rees in Duitsland.
Vanaf medio maart 1945 werd de noordelijke Rijnoever vrijwel onafgebroken door Britse en Amerikaanse vliegtuigen gebombardeerd, ter voorbereiding op de geallieerde Rijnoversteek bij Rees en Wesel in de nacht van 23 op 24 maart 1945 (Operation Plunder). Niet alleen Duitsland maar ook het Achterhoekse grondgebied werd in deze periode regelmatig getroffen.
Verloop Eerste bombardement: maandag 19 maart 1945 Op maandagochtend 19 maart 1945, om 8.40 uur, openden Britse jachtbommenwerpers de aanvallenreeks. Het primaire doel was de Nemaho-fabriek aan de noordzijde van de stad, waar de Wehrmacht tanks en militaire voertuigen liet repareren. Tevens werd een Duitse munitieopslag in de Kruisbergse bossen aangevallen en werd het FlaK-luchtafweergeschut rondom de stad bestookt. Niet alle bommen kwamen op de bedoelde doelen terecht: twee panden in de Waterstraat in het stadscentrum werden geraakt. Bij dit eerste bombardement vielen relatief weinig slachtoffers.
Tweede bombardement: woensdag 21 maart 1945 Het tweede en in slachtoffers en schade veruit zwaarste bombardement vond plaats op woensdagmiddag 21 maart 1945 om 16.55 uur. Britse vliegtuigen van de Royal Air Force losten hun bommen midden op het historische stadscentrum. De binnenstad raakte binnen korte tijd over een groot oppervlak in brand. Doordat tegelijkertijd ook de brandweerkazerne en de gemeentewerken werden getroffen, kon de Doetinchemse brandweer niet uitrukken; gesprongen waterleidingen verergerden de situatie. De vlammen kregen daardoor vrij spel in de overwegend houten of houtbeklede binnenstadsbebouwing.
De middeleeuwse Sint-Catharinakerk op de Markt vatte vlam en de toren stortte in. Het achttiende-eeuwse stadhuis, dat vanaf 1727 aan de Markt had gestaan, ging eveneens verloren. De Doetinchemse synagoge werd vernield. Op de hoek van de Wilhelminastraat en de Terborgseweg vielen bommen op de Groen van Prinsterer-kweekschool, die op dat moment als noodhospitaal van het Rode Kruis fungeerde; veel mannen die in de gymnastiekzaal stonden te wachten om ontluisd te worden, kwamen daarbij om het leven. Of de kweekschool het bedoelde doelwit was — vanwege het eerdere Duitse laboratorium — of het iets verderop gelegen treinstation, is nooit met zekerheid vastgesteld. Ook in de Boliestraat werd zware schade aangericht. Een hele familie, de Vriezelaars, verloor tien leden onder het puin.
Derde bombardement: vrijdag 23 maart 1945 Op vrijdagavond 23 maart 1945, om 17.30 uur, kwam de derde aanval. De geallieerde bommen troffen onder meer de loodsen en werkplaatsen van de Geldersche Tramwegen, de Grutstraat (waar onder meer slagerij Van Zadelhoff werd verwoest) en de omgeving van de verkeersbrug over de Oude IJssel. Een groot aantal winkels en woonhuizen ging verloren. Dit bombardement vond plaats in de avond voorafgaand aan Operation Plunder, de geallieerde Rijnoversteek bij Rees en Wesel.
Slachtoffers en schade Bij de drie bombardementen kwamen volgens de meest aangehaalde bronnen ten minste 143 mensen om het leven; andere bronnen noemen aantallen tot ongeveer 170 doden. Honderden Doetinchemmers raakten gewond. In totaal werden ongeveer 120 gebouwen verwoest, hoofdzakelijk in de binnenstad. Tot de getroffen monumentale en publieke gebouwen behoorden de Sint-Catharinakerk, het stadhuis aan de Markt (op de plaats van het huidige Simonsplein), de synagoge, de brandweerkazerne, de gemeentewerken en de Groen van Prinsterer-kweekschool. Op twee gevels na werd het hele historische stadscentrum weggevaagd. Vele Doetinchemmers die de bombardementen overleefden, waren dakloos en moesten in de omliggende buurtschappen onderdak vinden.
Mogelijke verklaringen Vanwege de schijnbare onevenredigheid tussen de geringe militaire betekenis van Doetinchem en de zware bombardementen die de stad troffen, hebben verklaringen voor de luchtaanvallen vanaf de naoorlogse jaren tot heden de gemoederen bezig gehouden. Sinds maart 2023 heeft de gemeente Doetinchem aangekondigd onderzoek te laten doen naar de drijvende redenen achter de bombardementen, met als doel deze "voor eens en voor altijd" historisch vast te leggen.
Verwarring met Anholt en Isselburg Een lange tijd populaire verklaring voor met name het tweede bombardement is dat geallieerde piloten Doetinchem zouden hebben verward met de Duitse plaatsen Anholt en Isselburg, die ongeveer twintig kilometer oostelijker eveneens aan de Oude IJssel liggen. Bij dichte bewolking, nevel of rookgordijnen zou de gelijkenis in het terrein tot fatale verwisseling hebben kunnen leiden. De Doetinchemse onderzoeker Herbert Tomesen heeft op basis van geallieerde luchtoorlogsarchieven aannemelijk gemaakt dat het bombardement van 21 maart inderdaad op een vergissing van die strekking berustte: het eigenlijke doelwit zou Isselburg zijn geweest.
Duitse versterkingen en verbindingscentrum Een tweede verklaring, die in het bijzonder voor het derde bombardement van 23 maart is geopperd, gaat ervan uit dat de geallieerden bewust Duitse versterkingen in Doetinchem aanvielen, om hun opmars te vergemakkelijken. De stad lag vlak voor de Rijnoversteek van Operation Plunder en zou een Duits artillerie- of verbindingscentrum hebben gehuisvest dat vóór het offensief uitgeschakeld diende te worden. Volgens deze theorie, onder meer naar voren gebracht door verzetsman Jan Houtsma, had de tweede aanval als oorspronkelijk doel een Duits verbindingscentrum dat door bewolking zou zijn gemist; de bommen kwamen daardoor "aan de andere kant van de Waterstraat" terecht.
Nemaho-fabriek Voor het eerste bombardement van 19 maart geldt het militaire doel als grotendeels opgehelderd: de Nemaho-fabriek werd gericht aangevallen omdat de Duitse bezetter er militaire voertuigen liet repareren. Dat enkele bommen op het centrum belandden, wordt toegeschreven aan de praktische beperkingen van precisiebombardementen in die periode.
Bevrijding In de nacht van 23 op 24 maart 1945 begon Operation Plunder en staken de geallieerden bij Rees en Wesel de Rijn over. Een week later, in de avond van 1 april en in de loop van 2 april 1945, werd Doetinchem bevrijd door een bataljon van de Canadese The Calgary Highlanders, bijgestaan door soldaten van het regiment The Fort Garry Horse onder bevel van majoor Mark Tennant. Bij de gevechten om de stad sneuvelden elf Canadezen en tientallen Duitse militairen. Doetinchem behoorde door de bombardementen en de meer dan honderdvijftig dodelijke slachtoffers tot de zwaarst getroffen Nederlandse steden van de Tweede Wereldoorlog.
Wederopbouw Vanaf 1948 werd met de wederopbouw van de Doetinchemse binnenstad begonnen. De Sint-Catharinakerk werd in dezelfde stijl als de oorspronkelijke kerk hersteld, met als opvallend verschil dat de toren niet langer in maar tegen de kerk werd geplaatst. Het stadhuis aan de Markt werd niet herbouwd; het Simonsplein nam de plaats in van het verloren gegane gebouw. Voor de oorlogsslachtoffers met directe woningnood plaatste de gemeente noodwoningen, onder meer in de wijk De Hoop, waarvan de straatnamen alle naar Canada verwijzen ter herinnering aan de Canadese bevrijders. Door de combinatie van de bombardementen en de naoorlogse stadsuitbreidingen kent het centrum van Doetinchem nog slechts twee gevels die uit de tijd van vóór maart 1945 stammen.
Herdenking In de Sint-Catharinakerk werd ter nagedachtenis aan alle bij de bombardementen omgekomen burgers een glas-in-loodraam aangebracht. Op het tegenover de kerk gelegen plein bevindt zich sinds de heropening in de naoorlogse jaren een herinneringsmonument. In het in 1995 geopende Mark Tennantplantsoen, vernoemd naar de Canadese majoor, werd op 5 mei 1995 het door beeldhouwer Marius van Beek (1921–2003) vervaardigde Vrijheidsmonument onthuld. Het beeld toont twee geketende handen met daaronder de tekst "Laat de vrijheid niet sterven". Bij dit monument vindt jaarlijks op 4 mei de Doetinchemse Dodenherdenking plaats.
Op 19, 21 en 23 maart, op respectievelijk 8.40 uur, 16.55 uur en 17.30 uur, luiden in Doetinchem alle kerkklokken ter herinnering aan de momenten van de drie bombardementen. In maart 2018 werd de Stichting Doetinchem Herdenkt opgericht, die de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog in de gemeente levend wil houden door het vastleggen van getuigenissen en het organiseren van herdenkingen.
Documentaires en boeken Over de bombardementen verschenen meerdere documentaires en boeken. Hein Tomesen, Doetinchemmer en ooggetuige, schreef Doetinchem 1939–1945 – Vlucht uit de brandende stad over zijn eigen herinneringen. Zijn zoon Herbert Tomesen vervaardigde een uitgebreide maquette van het verdwenen Doetinchem en publiceerde Maquette van een verdwenen stad. Inge Volker schreef Doetinchem in oorlogstijd. In 2010 verscheen de documentaire Meneer Kees en Meneer Henk over de rol van uitgeverij Misset in oorlogstijd. In 2021 kwam Met het begin van de Lente uit van Herbert Tomesen en Karl Lusink, een documentaire die de bombardementen in de bredere context plaatst van de geallieerde opmars vanaf D-Day en Operation Plunder.
Zie ook Geschiedenis van Doetinchem Sint-Catharinakerk (Doetinchem) Operation Plunder The Calgary Highlanders Stadsbrand van Doetinchem (1527)
Categorie:Geschiedenis van Doetinchem Categorie:Tweede Wereldoorlog in Nederland Categorie:Bombardement in Nederland Categorie:Bombardement tijdens de Tweede Wereldoorlog Categorie:1945