miniatuur|Terechtstelling van Pontcallec, du Couëdic, Talhouët en Montlouis in Nantes De samenzwering van Pontcallec was een opstand tussen 1718 en 1720 van de lagere landadel van Bretagne tegen de belasting opgelegd door de Franse regent Filips van Orléans. De opstand was kleinschalig, zonder duidelijke doelen en eindigde met de terechtstelling van vier van haar leiders, onder wie de markies van Pontcallec.
Context miniatuur|Pierre de Montesquiou d'Artagnan Koning Lodewijk XIV van Frankrijk overleed in 1715 terwijl zijn troonopvolger Lodewijk XV nog maar vijf jaar oud was. Het regentschap werd waargenomen door Filips van Orléans, die steunde op de hoge adel en het Parlement van Parijs. Om de grote schulden nagelaten door Lodewijk XIV te betalen, zag Filips van Orléans zich gedwongen de belastingen te verhogen. Dit leidde tot onvrede in Bretagne, dat bij zijn aanhechting bij Frankrijk een uitzonderingspositie op fiscaal gebied had kunnen afdwingen. De Statenvergadering van Bretagne weigerde dan ook om de nieuwe belastingen te bekrachtigen en er werd aan afvaardiging naar de regent gestuurd. De afgevaardigden van de Bretonse staten hadden echter een ontmoeting met de hertog van Maine, de rivaal van Filips van Orléans. Pierre de Montesquiou d'Artagnan was als koninklijk gezant naar Bretagne gestuurd om toe te zien op de inning van de belastingen. Hij reageerde op deze provocatie met het uitsluiten van 62 leden van de Staten van Bretagne op 22 juli 1718.
Opstand De Bretonse landadel reageerde met de Acte d'union pour la défense des libertés de la Bretagne, een tekst opgesteld door de graaf van Bonamour en ondertekend door honderden edellieden. Onder hen was Clément de Guer, markies van Pontcallec (1679-1720). Hij wierp zich op als leider van de opstand en verzamelde in juni 1719 een gewapende troep van zo'n tweehonderd man. Deze groep viel snel uiteen. Her en der werden belastingontvangers aangevallen. De reactie van de regent was snel en krachtig. Montesquiou werd naar Rennes gestuurd aan het hoofd van een leger van 15.000 man. Verschillende samenzweerders werden opgepakt en een van hen bekende dat de samenzweerders gewapende steun zochten bij de Spaanse koning. De samenzweerders trokken zich terug op het kasteel van Berné van de markies van Pontcallec. Daar wachtte ze tevergeefs op een opstand van de bevolking of steun van de Spanjaarden. Met het koninklijk leger in aantocht namen ze de vlucht. Pontcallec werd op 28 december 1719 gearresteerd in Lignol. Op 26 maart 1720 werden Pontcallec, du Couëdic, Talhouët en Montlouis ter dood veroordeeld en onthoofd op de Place du Bouffay in Nantes. Zestien andere samenzweerders werden bij verstek ter dood veroordeeld.
Beoordeling De opstand miste duidelijke doelen en was slecht georganiseerd. De krachtige reactie van de regent en de zware straffen hadden waarschijnlijk te maken met de contacten die de samenzweerders zochten met de hertog van Maine en de Spaanse koning. De bestraffing van de samenzweerders gold bovendien als waarschuwing voor de hoge adel.
In de negentiende eeuw werd de samenzwering van Pontcallec uitgelegd als een uiting van de Bretonse autonomie en werd de markies van Pontcallec afgeschilderd als een volksheld die streed voor de Bretonse vrijheden.
De samenzwering van Pontcallec was het onderwerp van de film Que la fête commence (1975) van Bertrand Tavernier.
Bronnen
Categorie:Geschiedenis van Bretagne