Kajetan (Kaj) Mühlmann (Uttendorf, 26 juni 1898 – München, 2 augustus 1958) was een Oostenrijks politicus en kunsthistoricus die tijdens de Tweede Wereldoorlog betrokken was bij de confiscatie en handel in roofkunst.

Mühlmanns insiderkennis van zowel de Oostenrijkse tak van de Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij en het austrofascistische Oostenrijkse regime, maakte hem een waardevolle informant voor Adolf Hitler. Na de van Oostenrijk in maart 1938 kreeg Mühlmann een politieke functie toebedeeld.

In oktober 1939, kort na de inval van Polen door nazi-Duitsland, werd Mühlmann aangewezen als functionaris voor de confiscatie van kunst in het bezette Generaal-gouvernement. Na de uitbraak van de Tweede Wereldoorlog in Nederland werd Mühlmann door Rijkscommissaris en oude vriend Arthur Seyss-Inquart benoemd tot hoofd van . Hij was betrokken bij de inbeslagname en verkoop van kunstwerken uit onder andere de collectie van het Kröller-Müller Museum en de verzameling van Fritz Mannheimer.

Mühlmann werd in juni 1945 gearresteerd door Amerikaanse militairen en geïnterneerd. Hij legde getuigenissen af over Göring, Seyss-Inquart, Frank en Kaltenbrunner, en trad op als getuige in de rechtszaak tegen politicus en diplomaat Guido Schmidt. In februari 1948 werd Mühlmann opgenomen in een ziekenhuis in München, vanwaaruit hij wist te ontsnappen. Hij dook vervolgens onder in het zuiden van Beieren.

De Oostenrijkse overheid vaardigde in augustus 1951 een arrestatiebevel uit vanwege oorlogsmisdaden, maar verhoedde tot midden jaren vijftig een uitlevering aan Polen. Mühlmann werd in 1952 bij verstek veroordeeld en al zijn bezittingen werden verbeurd verklaard. Tot het einde van zijn leven bleef Mühlmann voortvluchtig. Hij overleed in München op 2 augustus 1958.

Jeugd en opleiding Kajetan Mühlmann werd geboren in het Oostenrijkse dorp Uttendorf op 26 juni 1898. Hij was de zoon van Cajetan Mühlmann en Juliana Nußbaumer.Archiv Der Erzdiözese Salzburg; Salzburg, Österreich; Katholische Kirchenbücher; Signatur: Trb17; Roll: At-Aes.5.143.trb17 Zijn moeder was eerder getrouwd geweest en het samengestelde gezin had acht kinderen, waarvan er twee op jonge leeftijd overleden. Mühlmanns oudere halfbroer was Josef Mühlmann, die later kunstcriticus en restaurateur werd. De twee werkten tijdens de nationaalsocialistische periode vaak samen.Volgens sommige bronnen zou de vader van Kajetan Mühlmann zijn overleden toen Kajetan nog kind was. Zijn vader overleed echter in 1932. Mogelijk is hier sprake van een persoonsverwisseling: de vader van zijn halfbroer Josef Mühlmann overleed toen Josef drie jaar oud was. Mühlmann groeide op op een boerderij en was naar eigen zeggen afkomstig uit een eenvoudig milieu.

In 1913 startte hij met een lerarenopleiding in Salzburg. Tijdens zijn opleiding kwam hij in contact met de latere nationaalsocialistische auteurs Karl Heinrich Waggerl en Karl Springenschmid met wie hij een levenslange vriendschap onderhield.

Eerste Wereldoorlog Zijn opleiding werd onderbroken door de Eerste Wereldoorlog: Mühlmann sloot zich in 1915, op zeventienjarige leeftijd, vrijwillig aan bij het Salzburger Infanterieregiment nr. 59. Vanaf 1916 was hij onderdeel van het Keizerlijke en Koninklijke Infanterieregiment Aartshertog Rainier nr. 59.

Het idee van het pangermanisme, waar alle Duitstalige volkeren in één Duitse staat worden verenigd, was in deze periode zeer populair onder Oostenrijkse jongeren. Met name Oostenrijkers uit grensregio's identificeerden zich cultureel en etnisch met het Duitse taalgebied. Dit is een mogelijke verklaring voor de vrijwillige indiensttreding van Mühlmann.

In 1918 raakte hij zwaargewond. Het herstel van zijn verwondingen verliep moeizaam, mede doordat Mühlmann een ziekte had opgelopen die zijn longen aantastte. In de jaren na de oorlog had Mühlmann ernstige pijn en werd hij aangemerkt als ernstig oorlogsinvalide. De schade die hij aan zijn longen had opgelopen behield hij zijn gehele leven. Hij vond een baan als onderwijsassistent in Fusch an der Großglocknerstraße, maar werd genoodzaakt deze op te geven vanwege zijn slechte gezondheid.

In 1919 werd de Oostenrijkse helft van de dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije formeel ontbonden door het Verdrag van Saint-Germain. Een van de bepalingen was dat Oostenrijk geen politieke of economische unie met Duitsland mocht aangaan zonder toestemming van de Volkenbond. Mühlmann trad in deze periode toe tot de socialistische partij in Salzburg, omdat hij op deze manier zijn onvrede tegen de sancties jegens Duitsland en Oostenrijk kon uiten. Hij was van mening dat hij tijdens de Eerste Wereldoorlog veel had opgeofferd, waardoor hij het verdrag als een 'onrechtvaardig en onnatuurlijk lot' beschouwde. miniatuur| op de Residenzplatz in Salzburg.

Studie en start loopbaan In 1922 begon Mühlmann met een studie beeldende kunst met de bedoeling kunstschilder te worden, maar stapte over naar de studie kunstgeschiedenis in Innsbruck en de Universiteit van Wenen. Hij financierde zijn studie met het runnen van een tabakswinkel. In 1926 behaalde hij zijn doctoraat met een proefschrift over de barokke fonteinen en waterkunst in Salzburg.

Na zijn afstuderen keerde hij terug naar Salzburg waar hij in 1926 als hoofd pers- en publiciteitszaken toetrad tot de organisatie van de . In deze functie was hij verantwoordelijk voor de public relations van het culturele festival. Daarnaast was hij actief als kunstcriticus: hij schreef voor diverse lokale kranten over kunsttentoonstellingen, wat leidde tot enige lokale bekendheid. In deze periode kwam hij in contact met meerdere hooggeplaatste personen, waaronder Olga Göring, de zus van Hermann Göring. Naar eigen zeggen kwam Mühlmann in de jaren dertig regelmatig over de vloer bij het gezin Göring waar ze over kunst en politiek discussieerden. Hij leerde tevens de succesvolle grafisch ontwerpster Leopoldine “Poldi” Wojtek kennen. De twee trouwden in december 1932.

Politieke betrokkenheid In 1932 vond hij een nieuwe baan bij het van de stad Salzburg, maar verloor deze baan twee jaar later, in 1934, na beschuldigingen van corruptie. Mühlmann zou tijdens het uitvoeren van zijn werk buitensporige en onregelmatige uitgaven hebben gedaan. Datzelfde jaar sloot hij zich samen met zijn kennis Arthur Seyss-Inquart aan bij de Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij (NSDAP). Het lidmaatschap was geheim aangezien de NSDAP in Oostenrijk sinds 1933 verboden was. Bij de NSDAP was hij actief als informant en agent van Reinhard Heydrich, hoofd van de Sicherheitsdienst (SD). Voor zijn engagement bij de NSDAP werd Mühlmann in 1935 samen met vijf anderen gearresteerd. Aanvankelijk werd hij aangeklaagd wegens hoogverraad, wat hem een gevangenisstraf van twintig jaar zou kunnen opleveren, maar deze aanklacht werd omgezet naar 'deelname aan een geheime vereniging'. Mühlmann werd veroordeeld tot meerdere jaren gevangenisstraf, maar zijn voorarrest werd uiteindelijk als voldoende straf beschouwd.

Binnen de Oostenrijkse, illegaal opererende kringen van de NSDAP waren in de loop der jaren rivaliteiten ontstaan. In deze machtsstrijd koos Mühlmann de zijde van Seyss-Inquart, die leiding gaf aan een meer politiek en pragmatisch georiënteerde factie. Mühlmann had in deze periode tevens contact met bondskanselier Kurt Schuschnigg en met staatssecretaris Guido Schmidt die onderdeel waren van het austrofascistische Oostenrijkse regime, waardoor hij veel voorkennis en insiderinformatie bezat. Deze informatie bleek zeer waardevol voor Adolf Hitler. Mühlmann werd gevraagd rechtstreeks aan hem te rapporteren als voorbereiding van Hitlers bezoek aan Schuschnigg in februari 1938. In dit gesprek tussen Hitler en Schuschnigg dwong Hitler de van Oostenrijk af.

Op 13 maart 1938 werd Oostenrijk geannexeerd door nazi-Duitsland. Mühlmann sloot zich hierna officieel aan bij de NSDAP en de SS, en werd benoemd tot SS-kapitein. Zowel Syess-Inquart als Mühlmann kregen na de annexatie politieke functies toebedeeld: Seyss-Inquart werd aangesteld als en benoemde Mühlmann vervolgens tot staatssecretaris in de Bondskanselarij.

Kunstroof miniatuur|Toespraak van Joseph Goebbels tijdens het ontvangst van acteurs in de Hofburg, Wenen (30 maart 1938).

V.l.n.r. Dr. Goebbels, Gertrud Seyss-Inquart, Kajetan Mühlmann en Paula Wessely. Na een herstructurering van de regering trad Mühlmann in april 1938 aan als staatssecretaris bij het ministerie van Binnenlandse en Culturele Zaken. In deze functie was hij verantwoordelijk voor het uitwerken van richtlijnen voor de systematische onteigening van kunstvoorwerpen uit Joods bezit.

In het najaar van 1938 werd paleis Hofburg in Wenen aangewezen als verzamelplaats voor van joden geconfisqueerde kunstwerken. Deze werken kwamen uit collecties van onder anderen de Weense ondernemer Oscar Bondy, industrieel en bergbeklimmer Moritz Kuffner, filantroop Alphonse Mayer von Rothschild en bankier Louis Nathaniel de Rothschild.

Mühlmann was van mening dat stukken uit Oostenrijkse collecties, met name uit Wenen, niet overgebracht moesten worden naar andere plaatsen, omdat deze werken onderdeel waren van het lokale culturele erfgoed. Hitler had echter in 1938 het Führer-voorbehoud ingesteld, waardoor hij uiteindelijke zeggenschap had over de bestemming van kunstwerken uit geconfisqueerde kunstcollecties. Mühlmann probeerde Hitler diverse malen te overtuigen van zijn standpunt, waardoor Mühlmann in juni 1939 werd ontslagen door Rijksstaatscommissaris Josef Bürckel vanwege 'pro-Oostenrijkse neigingen'. miniatuur|Krat met kunstwerken uit het Nationaal Museum van Warschau ingeladen voor transport naar nazi-Duitsland (tussen 1939 en 1945).miniatuur| (1514) door Rafaël Santi (1483–1520). Dit portret werd in 1939 gestolen uit de collectie van het Czartoryski Museum in Kraków. Het kwam in handen van Mühlmann, maar raakte vermist bij de Duitse terugtrekking uit Krakau in januari 1945. Het wordt door de Poolse overheid beschouwd als een van de belangrijkste vermiste kunstwerken.

Polen Na zijn ontslag benaderde Mühlmann Rijksmaarschalk Hermann Göring die hem op 6 oktober 1939 benoemde tot 'bijzonder gevolmachtigde voor de bescherming en veiligstelling van kunstwerken in de bezette oostelijke gebieden'. Het beleid in Polen was gebaseerd op de ideologie van Goebbels die van mening was dat "de Poolse natie het niet waard [is] om een beschaafde natie genoemd te worden." Volgens Mühlmann was er geen sprake van een "onafhankelijke Poolse artistieke ontwikkeling in de historische stijlperioden".

Mühlmann kreeg de bevoegdheid Germaanse kunstOok wel ('Voorouderlijk Erfgoed') genoemd. te 'repatriëren', wat in werkelijkheid neerkwam op de confiscatie van werken uit kunstcollecties van Joden, kerken, staatsvijanden, musea en de Poolse staat. Hoewel de activiteiten werden gepresenteerd als het veiligstellen van de werken, gingen deze handelingen in tegen de Haagse Conventie van 1907. In artikel 46, lid 2 staat dat een bezettende macht privé-eigendom niet mag confisqueren.

Het Kommando Paulsen en de SS-Ahnenerbe werden aangesteld om de objecten in beslag te nemen. Bevelen tot plunderingen werden aanvankelijk uitgevaardigd door Reinhard Heydrich en Generalgouverneur Hans Frank, maar Mühlmann nam deze taak vrij snel over. Hij startte met het samenstellen van werkgroepen die werken lokaliseerden, inventariseerden en vervoeren. Een werkgroep, geleid door Mühlmanns halfbroer Josef Mühlmann, had de taak kunstwerken uit de regio Krakau te verzamelen. Een tweede werkgroep richtte zich op de regio Warschau en werd geleid door kunsthistoricus Gustav Barthel.