Eopinacosaurus is een plantenetend geslacht van ornithischische dinosauriërs behorend tot de Ankylosauria dat tijdens het late Krijt leefde in het gebied van de huidige Gobiwoestijn. De enige benoemde soort is Eopinacosaurus mephistocephalus.

Vondst en naamgeving In 1999 werd een derde soort van Pinacosaurus benoemd door Pascal Godefroit, Xabier Pereda Suberbiola, Li Hong en Dong Zhiming: Pinacosaurus mephistocephalus, de "duivelskop" als samentrekking van Mephistopheles (de duivel uit de legende van Faust) en het Oudgrieks κεφαλή, kephalè, "hoofd", gebaseerd op specimen IMM 96BM3/1 in de zomer van 1996 gevonden door een Chinees-Belgische expeditie in een laag eolische zandsteen van de Bayan Mandahuformatie die dateert uit het late Campanien. Dit bestaat uit een in verband liggend skelet met schedel, onderkaken en halsbergen. De linkerledematen ontbreken. Het skelet is niet platgedrukt. Het betreft een nog niet volgroeid jong dier. Het werd geprepareerd door Suzanne Clinet, Jean-Jacques Blairvacq en René Cremers. De soortaanduiding verwijst naar langere squamosale hoorns op de bovenste achterhoeken van de schedel. Gregory S. Paul suggereerde in 2010 dat P. mephistocephalus een jonger synoniem was van P. grangeri. Victoria Megan Arbour concludeerde echter in 2014 dat de soort geldig was. Godefroit beschreef alleen de schedel in detail.

In 2026 benoemde Paul Penkalski het aparte geslacht Eopinacosaurus. De geslachtsnaam betekent "pinacosaurus van de dageraad". De typesoort is de oorspronkelijke Pinacosaurus mephistocephalus. De combinatio nova is Eopinacosaurus mephistocephalus.

Het specimen MPC-D 100/1337a werd aan Eopinacosaurus toegewezen. Het was in 1998 door de Japans-Mongoolse expeditie op de Tugrikin Shireh-vindplaats van de Djadochtaformatie in Mongolië gevonden. Het bestaat uit een skelet met schedel. De botten zijn doorboord door tunnels van keverlarven.

Beschrijving

Eopinacosaurus werd volwassen zo'n vijf meter lang en twee ton zwaar. Het juveniele holotype heeft een geschatte lengte van drie meter.

Godefroit gaf in 1999 een aantal verschillen met Pinacosaurus grangeri aan. Twee paar foramina leiden naar holten in de praemaxillae. De opening die wel gezien wordt als een behuizing van een zoutklier is naar voren gericht. Zowel de bovenste als de onderste premaxillaire foramina zijn veel kleiner dan de "klieropening". De neusgaten zijn alleen zichtbaar in bovenaanzicht. De oogkassen zijn cirkelvormig, zo hoog als lang en zijwaarts gericht. De praemaxilla heeft geen bovenste achterste tak die tussen het bovenkaaksbeen en het neusbeen steekt. Het traanbeen heeft een vierkant profiel. Het wandbeen is veel korter dan het voorhoofdsbeen. Het postorbitale heeft een brede tak richting wandbeen en voorhoofdsbeen. Er is een diepe inzinking op voorhoofdsbeen en wandbeen. Het schouderblad is relatief kort en robuust waarbij de onderste breedte 36% van de lengte bedraagt en met een goed ontwikkelde processus acromialis. De deltopectorale kam van het opperarmbeen is goed ontwikkeld, tot verder dan het midden van de schacht doorlopend. Het bovenste gewrichtsvlak van het spaakbeen is zowel overdwars als van voor naar achter sterk verbreed.

Arbour gaf in 2014 een andere analyse. Ze verwierp de gedachte dat P. mephistocephalus een bollere kop had. Een wel echt verschil zag zij in het feit dat bij P. grangeri er een inkeping zit in het neuspantser net boven de binnenste neusopening; bij P. mephistocephalus ontbreekt deze. Daarnaast was er het opvallende onderscheid, waarnaar de tweede soort vernoemd was, dat zijn squamosale hoorns veel verder naar achteren doorlopen, tot voorbij de rand van het schedeldak, zodat hun punten het breedste deel van de schedel vertegenwoordigen, niet de oogkassen. Een laatste verschilpunt is dat P. grangeri een duidelijke insnoering heeft van het schedeldak ter hoogte van de traanbeenderen, net vóór de oogkassen, welke bij P. mephistocephalus ontbreekt.

Penkalski sloot zich in 2026 grotendeels bij Arbour aan. De squamosale hoorns zijn bij Eopinacosaurus slanker en veel langer, tot ver achter het schedeldak uitstekend en overdwars tot voorbij de lijn van de oogkassen. De pantserplaten op de snuit, de caputegulae zijn gescheiden afstaande structuren, niet vergroeid tot een enkele gladde plaat. Het kan echter zijn dat dit een gevolg is van de jonge individuele leeftijd van het holotype. Direct voor de ogen, ter hoogte van de traanbeenderen, is de schedel sterk ingesnoerd in plaats van geleidelijk in de snuit over te gaan. De inkeping in de bovenrand van de binnenste opening in de neusholte ontbreekt. Opnieuw kan dat een rijpingskenmerk zijn. Ook achter de oogkassen is de schedel over de postorbitalia ingesnoerd.

Fylogenie De twee soorten werden eerst als zustertaxa gezien. Penkalski vond Eopinacosaurus in zijn kladistische analyse in een meer basale positie, wat hij zag als een dwingend argument om een ander geslacht te onderscheiden.

Het volgende kladogram toont de evolutionaire stamboom met de directe verwanten van Eopinacosaurus.

Literatuur , 1999, "A new species of the ankylosaurid dinosaur Pinacosaurus from the Late Cretaceous of Inner Mongolia (P.R. China)", Bulletin de l'Institut Royal des Sciences Naturelles de Belgique, Sciences de la Terre 69(supplement): 17-366

Categorie:Ankylosauria