Louise Farrenc (Parijs, 31 mei 1804 - aldaar, 15 september 1875), geboren als Jeanne-Louise Dumont, was een Franse pianiste, componiste, muziekpedagoog en muziekwetenschapper. Ze was de eerste vrouwelijke docente aan het conservatorium van Parijs.

Levensloop Louise groeide op in een artistieke familie: haar ouders waren de beeldhouwer Jacques-Edme Dumont (1761-1844) en de ook kunstlievende Marie Louise Elisabeth Curton. Ze bracht haar jeugdjaren dan ook door in een cultuurrijke omgeving. Haar broer Auguste zou zich later als beeldhouwer bewijzen.

Ze kreeg vanaf haar zesde jaar pianoles van haar peetmoeder, de pianiste Cécile Soria, die had gestudeerd bij Muzio Clementi. Ook kreeg ze les van Johann Nepomuk Hummel en Ignaz Moscheles. Op haar vijftiende startte Louise op het conservatorium van Parijs met de studie compositieleer, contrapunt, fuga en instrumentatie bij Anton Reicha. Dit waren privélessen, aangezien het haar als vrouw niet was toegestaan de reguliere conservatoriumopleiding te volgen.

Huwelijk thumb|140px|left|Aristide Farrenc Op het conservatorium ontmoette zij Aristide Farrenc (1794-1865), een fluitist, musicoloog en muziekuitgever. In 1821 trouwden zij, waarna het stel door Frankijk trok en optredens gaf. Na hun tournee vestigden ze zich weer in Parijs, waar Aristide de muziekuitgeverij Farrenc Éditions oprichtte die hij tot 1841 heeft bestierd. Louise hervatte haar muzieklessen bij Reicha. Het stel kreeg in 1826 een dochter, Victorine.

Componeren en lesgeven Louise schreef in 1834 haar eerste orkestwerken. Veel van haar composities werden uitgegeven bij de uitgeverij van haar echtgenoot, die tevens kamermuziekmatinees organiseerde waar Louises werken op het programma stonden.

In 1835 schreef ze het pianostuk Air Russe Varié, waarop Robert Schumann positief reageerde. Ook was hij ingenomen met haar compositie Variations concertantes sur une mélodie Suisse voor viool en piano.

In 1842 werd Louise benoemd tot pianodocente aan het conservatorium. Ze gaf daar tot aan haar pensioen in 1873 pianoles aan meisjes en vrouwen, maar ze mocht als vrouw geen compositieles geven. Ook kreeg ze minder betaald dan haar mannelijke collega's, maar na het succes van haar Nonet in 1849 schreef ze een brief aan directeur Daniel Auber met het verzoek om een gelijk salaris. Dit bleek succesrijk, want Auber trok haar salaris inderdaad gelijk. Verder werden haar piano-etudes een verplicht onderdeel van het lesaanbod op de conservatoria te Parijs, Brussel en Bologna.

Ze was een tante van de componist Ernest Reyer (1823-1909), die tijdens zijn studie aan het Parijse conservatorium bij haar in huis woonde. Ze zag toe op zijn compositorische vorderingen.

Dochter Victorine kreeg al vroeg pianoles van haar moeder, trad op als wonderkind en begon in 1843 aan een pianostudie aan het conservatorium. Ze speelde in Brussel en Parijs Beethovens Keizerconcert, als voorprogramma van haar moeders eerste symfonie. Victorine kreeg gezondheidsproblemen, trad na 1849 niet meer op en overleed reeds in 1859 aan tuberculose. Hierna stopte Louise bijna volledig met componeren.

In 1861 en 1869 kreeg Louise van de Académie des Beaux Arts de Prix Chartier toegekend.

Na haar overlijden Aristide stierf in 1865 en Louise in 1875. Hierna raakte haar werk direct in de vergetelheid. Wel werd ze geëerd als uitvoerend pianiste: in 1878 nam Antoine-François Marmontel haar op in zijn boek Silhouettes et Médaillons : Les Pianistes célèbres. Ze had geen nakomelingen om haar compositorische nalatenschap te behartigen; bovendien had ze gecomponeerd in de Duitse traditie en die was weinig populair meer na de Frans-Duitse oorlog. Pas begin 21e eeuw werd haar werk herontdekt. Haar composities werden opnieuw uitgegeven en uitgevoerd. miniatuur|Uitgave uit 1876 van de 30 etudes

Werk De composities van Louise Farrenc sloten aan bij de klassieke Weense traditie, met kleurrijke instrumentaties en een romantische inslag. Ze was niet progressief in haar werk en ze hield graag - net als haar tijdgenoot Felix Mendelssohn - vast aan oudere muziektradities. Zo vertonen haar twee concertouvertures uit 1834 de stijl van Haydn en Mozart, terwijl haar 30 piano-etudes kenmerken van de barokstijl hebben. Ze gaf haar composities wel een geheel eigen toon en invulling. Ze koos als componiste ook niet voor de destijds populaire opera, maar richtte zich liever op instrumentale muziek. Naast pianowerken schreef zij ook een nonet voor strijkers en blazers (1849), een strijkkwartet en enkele pianotrio's.

Daarnaast componeerde ze drie symfonieën. De eerste symfonie uit 1841 toont barokkenmerken, de tweede uit 1845 is meer experimenteel van aard, terwijl de derde uit 1847 als haar meesterwerk wordt beschouwd. Het is bijzonder te noemen dat de drie symfonieën ook echt werden uitgevoerd: het publiek was immers nauwelijks geïnteresseerd in instrumentaal werk en had een voorliefde voor opera's. De uitvoeringen waren echter succesvol en het publiek in Parijs was enthousiast.

Ook als uitvoerend pianiste week zij af van de gangbare mode: ze speelde bij voorkeur de latere, minder bekende sonates van Beethoven dan de spektakelstukken die andere pianisten graag lieten horen. Roem interesseerde haar evenmin: ze vond componeren en lesgeven belangrijker.

Muziekverzameling Samen met haar echtgenoot gaf Louise de 23-delige Le trésor des pianistes uit, een verzameling bladmuziek voor toetsinstrumenten als klavecimbel, virginaal en piano, uit de periode 1500-1850. Elk muziekstuk ging vergezeld van historische en biografische informatie en van een uitleg over de muziekinterpretatie. Met haar studenten verzorgde ze tijdens séances historiques tevens de uitvoering van deze muziekwerken. miniatuur|Louise Farrenc door onbekende kunstenaar, gravure, ca. 1855

Waardering Als vrouwelijke componiste was het voor Louise Farrenc lastig om een plek te verwerven in het door mannen gedomineerde muziekleven van de 19e eeuw. Doorgaans bleef het werk van vrouwelijke componisten beperkt tot de huiselijke kring en vaak hielden mannelijke familieleden de ontwikkeling van hun dochter of echtgenote tegen. Farrenc was echter binnen een stimulerende omgeving opgegroeid en werd door haar echtgenoot actief ondersteund, waardoor ze meer kansen kreeg. Ze ontving ook waardering van belangrijke personen binnen het Parijse muziekleven, onder wie componist, muziekcriticus en dirigent François-Joseph Fétis.

Toch bleek in allerlei uitingen dat het vooral als uitzonderlijk werd beschouwd dat zij als vrouw zo veel presteerde. Zo schreef een krant in 1851 dat haar symfonieën getuigden van talent, wat volgens de auteur "een zeldzaamheid" was bij vrouwelijke componisten. Componist Hector Berlioz meldde in 1840 dat de door Louise geschreven ouverture goed was geschreven en georkestreerd, met een talent dat "zeldzaam was bij vrouwen". Volgens Fétis - een groot pleitbezorger van haar werken - waren haar composities "van mannelijke proporties". In La France Musicale (1857) werd haar orkestwerk geprezen, waarbij de verbazing werd uitgesproken dat zij geen grotere bekendheid genoot en dat haar werk niet op het repertoire stond van het conservatorium; maar als vrouw was ze volgens het tijdschrift "natuurlijk te zwak" om zich teweer te kunnen stellen tegen de weerstand en jaloezie die ze tegenkwam.Zie: Rieger (2000).

Tegelijk was Louise de eerste vrouwelijke docente aan het Parijse conservatorium. Ook wist zij, dankzij het grote succes van haar composities, in 1850 een gelijk salaris af te dwingen bij het conservatorium. Ze leidde tevens een nieuwe generatie pianistes op die in Parijs de toon zouden zetten met hun muziekinterpretatie.

Begin 21e eeuw ontstond er een herwaardering voor haar werk, met nieuwe uitvoeringen in concertzalen en op muziekdragers. Dirigent Yannick Nézet-Séguin stelde in 2021 dat de orkestwerken van Farrenc op gelijke hoogte stonden als de werken van Robert Schumann en Felix Mendelssohn.

Categorie:Frans pianist Categorie:Frans componist Categorie:Frans muziekpedagoog Categorie:19e-eeuws componist