Alle Christiaan Pieron (Rotterdam, 1936) is een Nederlands theoloog, filosoof en docent, en pionier van het filosofieonderwijs in Nederland. Hij was verbonden aan het Stedelijk Gymnasium Leeuwarden, waar hij in de jaren zeventig betrokken was bij de introductie van filosofie als examenvak in het voortgezet onderwijs. Dit initiatief werd bekend als het Leeuwarder experiment.

Pieron schreef lesmateriaal voor het vak filosofie dat later ook door andere scholen werd gebruikt. Daarnaast was hij actief in het culturele leven van Leeuwarden.

Jeugd en opleiding Alle Christiaan Pieron werd in 1936 geboren te Rotterdam als eerste kind van Maria Elisabeth Bronkhorst en de gereformeerde predikant en zendeling Alle Frederik Johannes Pieron. Zijn vader had theologie gestudeerd aan de Vrije Universiteit Amsterdam en werkte aanvankelijk onder Chinese immigranten in Rotterdam. In 1940 vertrok het gezin naar Nederlands-Indië, waar zijn vader als zendingspredikant werkzaam werd onder de Chinese gemeenschap in Poerbollingo op Midden-Java.

De Tweede Wereldoorlog had ingrijpende gevolgen voor het gezin. Na de Japanse bezetting van Nederlands-Indië werd Pierons vader als reserve-veldprediker van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger krijgsgevangen gemaakt. In september 1944 werd hij aan boord gebracht van het Japanse helleschip Junyo Maru, dat op 18 september 1944 door de Britse onderzeeër HMS Tradewind werd getorpedeerd, waarbij hij om het leven kwam.

Pieron beschreef deze periode uit zijn jeugd als een “dubbel niemandsland”: zijn schooltijd werd eerst onderbroken door het vertrek naar Nederlands-Indië en daarna door de Japanse bezetting, want na een korte periode op een zendingsschool werd hij met zijn moeder en zijn twee broers, waarvan de jongste in Indonesië was geboren, naar verschillende Japanse interneringskampen gestuurd, waaronder het beruchte Tjideng. Georganiseerd onderwijs ontbrak daar: af en toe probeerden medegevangenen de kinderen taal- en rekenonderwijs te geven. Pieron kreeg in het kamp weinig mee van de oorlog: echte narigheid en verdriet bleven hem bespaard. Wel was de kamptijd volgens Pieron de oorsprong van zijn “diep geworteld anarchisme”, door het contrast tussen de vriendelijkheid en zorg van de kampbewoners met het geschreeuw en militair ceremonieel van de kampleiding.

Na de Japanse capitulatie bleef de situatie onrustig. In de wijk waar het gezin na de oorlog woonde vonden vuurgevechten plaats tussen Javaanse guerrillastrijders en Brits-Indische Sikh-soldaten. Kort daarna werd het gezin naar Nederland gerepatrieerd, waar het in eerste instantie werd opgevangen door familie. Door verhuizingen bezocht Pieron daarna in een jaar tijd drie verschillende scholen. Hij was niet gewend om "keurig en stil in een rijtje te zitten luisteren en werken". Pas in de zesde klas van de lagere school haalde hij door discipline en hard werken veel achterstand in, zodat hij naar de gymnasiumafdeling van het Willem de Zwijgerlyceum in Bussum kon. Daar maakte Pieron het al snel wat te bont: hij spijbelde regelmatig en haalde zodanig slechte cijfers dat hij bleef zitten, wat er uiteindelijk toe leidde dat hij naar het strengere Christelijk Lyceum in Hilversum vertrok, waar hij pas werkelijk aan school begon te wennen. Hij beschreef het gereformeerde schoolmilieu als sociaal streng en overwegend apolitiek, maar ook als cultureel breed: leerlingen lazen onder meer Kafka, volgden de moderne schilderkunst van Karel Appel en maakten kennis met de poëzie van Lucebert en Jan Hanlo. Pieron kreeg er in de hoogste klas een inleiding in de godsdienstwetenshap van Johannes Blauw, die dat deed naast zijn werk aan de Vrije Universiteit.

Geïnspireerd door de lessen van Blauw en door boeken uit zijn vaders bibliotheek (die terug naar Nederland was verscheept) ging Pieron theologie studeren aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Voor zijn kandidaats theologie studeerde hij onder meer godsdienstwetenschap bij J.H. Bavinck. Pieron's doctoraal richtte zich vervolgens op de godsdienstfilosofie, waarvoor hij het vak filosofie volgde bij C.A. Van Peursen, die pas aan de VU was benoemd.

Later, tijdens zijn loopbaan, zou Pieron tevens een doctoraalexamen in de filosofie afleggen aan de Rijksuniversiteit Groningen. Na zijn pensioen werkte Pieron aan een studie over Gravity's Rainbow van de Amerikaanse schrijver Thomas Pynchon. Tijdens dat werk nam hij contact op met de literatuurwetenschapper Luc Herman, een specialist op het gebied van Pynchons oeuvre. Nadat Herman kennis had genomen van Pierons manuscript, moedigde hij hem aan het onderzoek verder uit te werken tot een proefschrift. Dit resulteerde in Pierons promotie in de letteren aan de Universiteit Antwerpen in 2013.

Loopbaan

Filosofieonderwijs: het Leeuwarder experiment Pieron werd in 1965 aangesteld als leraar godsdienst en cultuurgeschiedenis van het christendom aan het Stedelijk Gymnasium in Leeuwarden. De rector, Walther Walther Boer, woonde tijdens een congres in Luxemburg op een gymnasium examens bij in de filosofie, waarvan hij erg onder de indruk was. Hij wilde een vergelijkbare nadruk op argumentatie en zelfstandig denken introduceren op het Stedelijk Gymnasium in Leeuwarden. Pieron, die door zijn opleiding niet alleen geschikt was als godsdienstleraar maar ook veel filosofische vakken had gevolgd, was daarvoor bij uitstek geschikt. Hij werd daarom aangesteld als godsdienstleraar met de uitdrukkelijke bedoeling ook filosofieonderwijs te geven. Bovendien ervoer Pieron dat leerlingen steeds sterker geïnteresseerd raakten in algemene levensbeschouwelijke, maatschappelijke en existentiële vragen die zich niet eenvoudig binnen het traditionele godsdienstonderwijs lieten behandelen. Filosofie bood volgens hem een bredere en meer open vorm van reflectie: het moest leerlingen leren nadenken over wetenschap, cultuur, politiek, kunst en samenleving in onderlinge samenhang. Pieron omschreef filosofie daarom als “een inleiding in algemeen beschouwend denken”. Vanaf 1967 begon hij filosofielessen te geven, aanvankelijk deels buiten de reguliere lestijden en deels op initiatief van leerlingen zelf.

Tegelijkertijd bestond elders in Nederland een meer theoretisch en organisatorisch initiatief om filosofie als schoolvak te introduceren. Rond 1970 ontstond vanuit universitaire kring en het tijdschrift Wijsgerig Perspectief een netwerk van filosofen dat discussieerde over de wenselijkheid van filosofie in het middelbaar onderwijs. Een van hen, filosofiestudent Cor Schavemaker, peilde met een enquête de interesse bij directeuren van havo- en vwo-scholen. Toen bleek dat 65% filosofie "gewenst" vond en 29% "zeer gewenst", richtte Schavemaker de Vereniging voor FilosofieOnderwijs (VFO) op. Ook Reinout Bakker, hoogleraar wijsbegeerte aan de Rijksuniversiteit Groningen en Marcel Frans Fresco, verbonden aan de centrale interfaculteit van de Universiteit Leiden, zaten in het bestuur van deze vereniging.

Toen de VFO werd opgericht had Pieron dus al een aantal jaren leerlingen die daadwerkelijk filosofie volgden en daarin examen wilden doen, en er bestond contact tussen bestuursleden van de VFO en rector Walther Boer. Zodoende werd in 1971 vanuit het gymnasium en de VFO het Ministerie van Onderwijs om toestemming gevraagd een eindexamen filosofie af te nemen. De motivering luidde dat leerlingen door filosofie zouden leren kritisch en vakoverschrijdend te denken, vooronderstellingen te expliciteren, en zodoende ook beter begrip zouden krijgen van maatschappelijke verhoudingen. Anderhalf jaar later, in 1973, gaf het ministerie "tijdelijk toestemming". Voorwaarde was dat zowel alfa- als bèta-leerlingen aan het experiment mee moesten kunnen doen, en dat leerlingen ten minste één klassieke taal als examenvak moesten behouden. Leerlingen konden filosofie dus kiezen als examenvak in plaats van een van de klassieke talen Latijn en Grieks. In 1974 zou het eerste eindexamen filosofie plaatsvinden. Pieron kreeg steun van Bakker, die er onder meer voor zorgde dat hij door twee scripties te schrijven een doctoraalexamen filosofie kon behalen, en daarmee de formele lesbevoegdheid om het vak te doceren. Walther Boer regelde dat Pieron tijd had om deze scripties te schrijven. Bakker begon met het voorbereiden van examenvragen, en nam plaats in de door het ministerie ingestelde begeleidingscommissie, samen met twee inspecteurs bij het voortgezet onderwijs. Later werd ook Fresco lid van deze commissie. miniatuur|rechts|400px|Aantal eindexamenkandidaten sinds 1973. In 1990 werd filosofie een regulier examenvak, en in 1998 werd het opgenomen in de Tweede Fase. In 1974 deden 13 leerlingen van het Stedelijk Gymnasium in Leeuwarden eindexamen filosofie. Andere gymnasia volgden het experiment met belangstelling en al gauw werd filosofie ook gegeven aan het Groninger Praedinius Gymnasium. De VFO pleitte voor uitbreiding naar meer scholen, maar die uitbreiding verliep aanvankelijk langzaam omdat het ministerie weinig financiele ruimte bood en er jarenlang geen duidelijke criteria waren voor definitieve invoering van filosofie als examenvak. In 1976 organiseerden het Stedelijk Gymnasium en de VFO een symposium Filosofie, een geintegreerd (eindexamen)vak in het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs. In 1982 was filosofie examenvak op vier scholen, in 1983 op vijf. Het aantal scholen dat filosofie aanbood nam sneller toe nadat het vak in 1990 officieel erkend was als regulier examenvak: van 12 in 1990 tot 21 in 1995 en 42 in 1998. In dat jaar werd filosofie opgenomen in de nieuwe profielstructuur van de Tweede Fase, waarna de verspreiding van het vak verder versnelde, eerst vooral binnen het vwo, later ook op havo-niveau. Sinds 2015 doen ongeveer 5000 leerlingen per jaar examen filosofie.

Voor Pieron leidde het Leeuwarder experiment een definitieve verschuiving in van godsdienstonderwijs naar filosofieonderwijs. Omdat literatuur op middelbare-schoolniveau ontbrak, ontwikkelde Pieron vanaf de late jaren zestig zijn eigen onderwijsmateriaal. Aanvankelijk gebeurde dit in de vorm van gestencilde readers en syllabi. Later ontstonden hieruit de vijfdelige reeks Filosofie, een inleiding en weer later in samenwerking met Arjan Koek het werkboek Filosofie: Analyse en discussie. Pierons lesmateriaal combineerde klassieke filosofische thema's met analyses van moderne cultuur, wetenschap, kunst, religie, media en politiek.

Lang niet alle scholen namen Pierons benadering en onderwijsmateriaal over. Al vroeg bestonden uiteenlopende opvattingen over het niveau en de inhoud van het vak. Sommige academici vonden het Leeuwarder programma in 1976 eerder een “kandidaatsprogramma” dan een vwo-curriculum en ook leraren aan andere scholen vonden Pierons analytische benadering soms "te moeilijk". Naarmate meer scholen het vak aanboden ontstonden tevens inhoudelijke verschillen. Christelijke scholen legden vaak de nadruk op religieuze en morele perspectieven, terwijl andere scholen filosofie juist zagen als een vormingsvak rond existentiële vragen en persoonlijke ontwikkeling.