Venanzio Rauzzini (Rome, 19 december 1746Betreft de doopdatum. - Bath, 8 april 1810) was een Italiaanse castraatzanger. Tevens was hij componist, klavecinist en muziekleraar. Het grootste deel van zijn carrière bracht hij door in Engeland.

Levensloop Venanzio was de zoon van Antonio Rauzzini en Annunziata Barbera. Hij had nog een jongere broer Matteo (1754-1791), die later als zanger en componist carrière zou maken.

Nadat het gezin naar Rome was verhuisd kon de jonge Rauzzini op 1 januari 1757 als sopraan terecht bij de Accademia di Santa Cecilia. Hij maakte hier kennis met Domenico Corri en Muzio Clementi. Mogelijk heeft hij ook in Napels gestudeerd bij Nicola Porpora.

Zijn debuut vond plaats op 7 februari 1765 in de opera Il finto astrologo van de componist Niccolò Piccinni, in het Teatro della Valle te Rome. Zijn eerste grote rol was echter een jaar later in Venetië, waar Rauzzini in Sesostro van Pietro Alessandro Guglielmi zong.

München Van 1766 tot 1772 was Rauzzini in dienst van keurvorst Maximiliaan III Jozef van Beieren te München. Hij ontving hier een hoog salaris van 3000 florijn per jaar, waarschijnlijk rechtstreeks betaald uit de vorstelijke privékas. Zijn eerste optreden in München was tijdens het carnaval van 1767 in de opera Siroe van Tommasso Treatta. Rauzinni zong overigens ook in andere steden, zoals Venetië en Wenen. In die laatste stad was Wolfgang Amadeus Mozart met zijn vader Leopold aanwezig bij Rauzzini's uitvoering in Partenope van Johann Hasse.

Tijdens zijn periode in München was hij te horen in opera's van Tommaso Traetta, Andrea Bernasconi en Pietro Pompeo Sales. Het laatste optreden van Rauzzini was tijdens het carnaval van 1772 in Andrea Bernasconi's Demetrio. Hij moest noodgedwongen vertrekken uit München omdat hij als aantrekkelijke jongeman te populair zou zijn bij de adellijke dames.

Eind 1772 zong Rauzzini in Milaan in Mozarts opera Lucio Silla, waarbij Mozart de rol van Cecilio speciaal voor Rauzzini had geschreven. In januari 1773 componeerde Mozart een motet voor Rauzzini: Exultate, jubilate. Verder trad Rauzzini op in Venetië, Padua en Turijn (1774).

Engeland Rauzzini verhuisde in september 1774 naar Londen. Van november 1774 tot juli 1777 was hij daar als zanger werkzaam in het King's Theatre. Zijn debuut was in de pasticcio Armida, met door hemzelf gecomponeerde aria's. Ook in de volgende jaren droeg hij als componist diverse aria's aan voor pasticcio's en schreef hij de komische opera L'ali d'amore. Op 16 maart 1775 werd zijn opera Piramo e Tisbe uitgevoerd, wat zijn meest succesvolle opera zou worden, met vele heruitvoeringen.

Ook buiten Londen was Rauzinni te horen. Zo trad hij in 1775 op tijdens het Three Choirs Festival in Gloucester, Worcester en Hereford.

In 1777 trad hij voor het laatst op in Londen, met zijn eigen compositie La partenza, die hij samen zong met Nancy Storace.

Muziekleven in Bath In de herfst van 1777 vertrok Rauzzini naar Bath. Hij was daar vanaf 1778 actief als concertorganisator bij de Upper Assembly Rooms, waar hij optrad met zangers en zangeressen als Giusto Fernando Tenducci, Maria Prudom, Nancy Storace, Madama Mara, Francesca Corri en John Braham. Rauzzini wist hier een concertreeks op te zetten die tot aan zijn overlijden een vaste waarde was in het muziekleven van Bath.

In 1778 was hij voor een optreden in Dublin waar hij de zanger Michael Kelly ontmoette.

Rauzinni vestigde zich in 1780 definitief in Bath. Hij beschikte hier over een stadswoning, terwijl hij in Perrymead een buitenhuis had. Hij gaf les aan onder andere Michael Kelly, Nancy Storace en Elizabeth Billington. Hij bleef intussen ook componeren en in 1780 werden zijn zes sonates voor fortepiano en viool in Dublin uitgegeven.

Rauzzini was in het voorjaar van 1781 weer in Londen waar hij onder andere optrad met Giusto Fernando Tenducci. Hij zou nog drie seizoenen lang blijven optreden in Londen, waar hij ook zijn opera's L'eroe cinese (1782), Creusa in Delfo (1783) en Alina ossia La regina di Golconda (1784) opvoerde. Tevens verzorgde hij balletmuziek voor uitvoeringen in het King's Theatre in de jaren 1783-1784. Op 15 april 1784 dirigeerde hij Giuseppe Sarti's opera Le gelosie villane. In deze periode was er ook enig rumoer rondom Rauzzini, omdat hij claimde dat sommige aria's in opera's van Antonio Sacchini eigenlijk door hem waren geschreven.

Op 1 mei 1787 vond in Londen de weinig succesvolle première plaats van zijn opera La vestale. Hierna trok Rauzzini zich definitief terug in Bath. In zijn woning ontving hij gasten als Joseph Haydn (1794).

Rauzzini schreef een requiem nadat hij geïnspireerd was geraakt door een uitvoering van Mozarts Requiem in Londen. Op 11 maart 1801 ging Rauzzini's compositie in de Little Haymarket in première.

Aan het eind van zijn leven publiceerde Rauzzini nog twaalf zangoefeningen, vergezeld van uitleg over zijn ideeën over de zangkunst en zijn eigen manier van zingen. Rauzzini overleed uiteindelijk op 8 april 1810 in Bath in zijn huis aan Gay Street. Hij werd begraven in de abdij van Bath.

Waardering Door tijdgenoot Charles Burney werd Rauzzini geprezen om zijn virtuositeit, expressiviteit en stemkwaliteit, alhoewel hij vooral ook onder de indruk was van Rauzzini's talenten als componist en klavecinist. Hij vond zijn stem aan de zwakke kant, wat volgens Burney kwam omdat Rauzzini te veel tijd besteedde aan componeren in plaats van zingen. Verder werd Rauzinni's acteerwerk door de recensenten gewaardeerd: hij kwam vriendelijk en hoffelijk over en was een aantrekkelijke verschijning.

Rauzzini was in Engeland een gerespecteerd muziekleraar die grote namen begeleidde als Michael Kelly, Nancy Storace en Elizabeth Billington. Leerling John Braham woonde zelfs bij hem in. Hij kon het niveau van zijn studenten naar een hoger plan tillen. Er werd gezegd dat een student die geen les had gehad van Rauzzini in feite dus onvolledig was opgeleid.

Categorie:Italiaans componist Categorie:Castraat Categorie:Italiaans zanger Categorie:Italiaans muziekpedagoog