Leonard Dersjant (Batavia, 23 april 1877 – Bandoeng, 24 januari 1940) was een Nederlands kolonel der infanterie in het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger. Hij werd onderscheiden als Ridder in de Militaire Willems-Orde.
Biografie Dersjant werd geboren in Batavia in Nederlands-Indië. Hij volgde zijn opleiding aan de Koninklijke Militaire Academie te Breda en werd in juni 1900 benoemd tot tweede luitenant der infanterie. In 1901 vertrok hij naar Nederlands-Indië, waar hij werd ingezet in Atjeh. Een jaar later werd hij geplaatst bij het Korps Marechaussee te voet, dat belast was met de bestrijding van het Atjehse verzet. Tijdens de krijgsverrichtingen onderscheidde hij zich meermaals door zijn optreden in gevechtssituaties.
Bij Koninklijk Besluit van 30 september 1903, nr. 56, werd hij eervol vermeld wegens zijn optreden tijdens militaire operaties in Atjeh in het tweede semester van 1902. Daarbij werd onder meer gewezen op zijn optreden tijdens de insluiting en doorzoeking van de kampongs Laweuëng Tjoeree en Blang Raja, evenals zijn bijdrage aan het gevecht bij Poeloe Soepang op 17 april 1902. In november 1903 werd Dersjant bevorderd tot eerste luitenant. Bij Koninklijk Besluit van 9 januari 1907, nr. 36, werd hij benoemd tot Ridder der 4e klasse in de Militaire Willems-Orde wegens zijn optreden in Atjeh en Onderhorigheden tussen september 1905 en april 1906. Als commandant van het marechaussee-bivak te Koeala Boe gaf hij volgens de voordracht blijk van „grooten moed en buitengewoon beleid”, waarbij hij door ondernemingsgeest en doortastend optreden meerdere verzetsgroepen wist uit te schakelen of tot onderwerping te brengen.
Na zijn terugkeer naar Java in 1907 werd hij uitgezonden naar Celebes, waar hij belast werd met het civiel bestuur van Paoe. In 1911 keerde hij terug naar Java en in 1912 volgde zijn bevordering tot kapitein.
In 1914 werd Dersjant benoemd tot militair commandant van Sumatra’s Oostkust. In 1918 keerde hij terug naar Atjeh als divisiecommandant van de marechaussee. Zijn bevordering tot majoor volgde in 1922. Twee jaar later werd hij benoemd tot militair commandant der Molukken. In 1924 werd hij benoemd tot luitenant-kolonel en in 1926 tot kolonel.
Tijdens zijn militaire loopbaan raakte Dersjant tweemaal gewond. Tevens werd hij tweemaal eervol vermeld wegens betoond moed en optreden tijdens krijgsverrichtingen. In februari 1929 werd kolonel Dersjant op eigen verzoek eervol ontslagen uit militaire dienst, onder dankbetuiging voor de door hem aan het land bewezen diensten. Na zijn pensionering vestigde hij zich in Bandoeng, waar hij een bekende figuur was binnen militaire kringen.
Dersjant overleed op 24 januari 1940 na een kort ziekbed. De uitvaart vond onder grote belangstelling en met militaire eer plaats te Bandoeng. De kist werd vanuit de woning van Dersjant aan het Tjibeunjing-plantsoen 41 uitgedragen, terwijl de aanwezige troepen de militaire groet brachten en vaandels werden geneigd. Onder de slippendragers bevonden zich de generaals-majoor Cox en Van Rees en de kolonels H.L. Maurer en Hoolboom.
Onderscheidingen
Ridder in de Militaire Willems-Orde (1907) Eervolle Vermelding (1902)
Bron
Ministerie van Oorlog, Inventaris van de dienststaten en stamboeken der Officieren van de Koninklijke Landmacht en van de koloniale troepen in Nederland, Archief 2.13.04, Nationaal Archief, Den Haag
Categorie:Nederlands kolonel Categorie:Militair in het KNIL Categorie:Persoon in de Atjehoorlog Categorie:Ridder in de Militaire Willems-Orde