De Alamire handschriften OxfBA 831 en OxfBLLa.8 zijn twee muziekhandschriften die vervaardigd werden in het atelier van Petrus Alamire. Zowel OxfBA 831, (Oxford, Bodleian Library MS Ashmole als OxfBLLa.8, (Oxford, Bodleian Library, MS Latin liturgies) bestaan uit twee perkamenten folia, een bifolium. Er zijn op het vakgebied auteurs die deze handschriften onder dan een twaalftal fragmenten rangschikt. Een meerderheid van auteurs beschouwt deze handschriften echter als deel van de dan in totaal 51 bewaard gebleven manuscripten uit het atelier van Alamire.

OxfBA 831 is in de periode 1503-1507 vervaardigd. Het is daarmee een van de vroegste van de bewaard gebleven bekende handschriften uit het oeuvre van het atelier. Dit handschrift dateert in ieder geval nog uit de periode dat het atelier feitelijk geleid werd door een scribent, aangeduid als scribent B. Het bevat een Spaans en twee Franse wereldse liederen. De twee Franse liederen zijn van Alexander Agricola op onder meer een eerdere tekst van Hayne van Ghizeghem. Het Spaanse lied is van Juan de Urrede (geboren als Johannes de Wreede). Het is Nunca fue pena mayor, een begin zestiende eeuw zeer populaire muzikale bewerking van een gedicht van Fadrique Álvarez de Toledo, de tweede hertog van Alva. Het is het enige Spaanstalige werk in het oeuvre van Alamire. Gil Vincente liet het lied zingen in twee van zijn toneelstukken en Pierre de la Rue, de favoriete componist van het Habsburgse-Bourgondische hof, componeerde een muzikale zetting van een mis op dit lied van Juan de Urrede, de Missa Nunca fue pena mayor.

Bij de vroegste handschriften uit het oeuvre van Alamire werden initialen vaak weergegeven door kadellen, penwerk-vlechtpatronen bestaande uit een aantal in elkaar verweven inktlijnen. (Zie bijvoorbeeld Koorboek voor Emanuel I van Portugal en Maria van Aragón). Die ontbreken in dit handschrift. Het heeft wel geschilderde decoraties in de stijl van de Meester van de gebedenboeken omstreeks 1500. De randversiering is in de Gent-brugse stijl waarbij een verder ongebuikelijke nadruk op de kleur geel ligt. Het handschrift was in in de zeventiende eeuw in het bezit gekomen van de antiquair Elias Ashmole die het in 1677 schonk aan de Universiteit van Oxford. Het ging deel uitmaken van de collectie van het Ashmolean Museum. In 1860 werd het ondergebracht bij de Bodleian Library.

Het handschrift OxfBLLa.8 bevat twee incomplete motetten die worden toegeschreven aan Antoine de Févin. Het tweede motet Tempus meum komt ook in twee andere handschriften van Alamire voor. Dat zijn VienNB 18825 en de Palatini stemboeken. Het is een van de meest succesvolle composities van Fevin. Het eerste motet Adiutorium nostrum komt bij Alamire ook voor in het Koninklijk koorboek van Hendrik VIII en de Palatini stemboeken. Componisten gebruikten nogal eens hetzelfde werk voor meerdere opdrachtgevers. Ook dit motet werd verkocht aan meerdere opdrachtgevers. Daarbij werden namen van vorstelijke personen met groot gemak verwisseld en werd bijvoorbeeld een Margareth een Anna en een Ludovicus (Lodewijk) een Henricus Rex(koning Hendrik).

In 1620 werd door de wiskundige Henry Savile een inventaris uit 1607 van de Weense Hofbibliothek aan de Bodleian Library geschonken. In 1979 werd ontdekt dat de kaft van die inventaris uit dit muziekhandschrift bestond.

Zie ook Voor alle 51 bewaarde handschriften van Alamire Lijst van muziekhandschriften van Petrus Alamire

Categorie:16e-eeuws boek Categorie:Verlucht handschrift