thumb|250px|rechts|Vijf voorstellingen van de watersnood te Gorinchem, Brakel, Vuren en Dalem, 12-13 maart 1876. Centraal de opvang van slachtoffers van de watersnood in tenten in Herwijnen. Linksboven de aankomst van de stoomboot Neptunus met hulpgoederen in Brakel. Rechtsboven de stoomboot Gorinchem-Sleeuwijk brengt hulpgoederen te Poederoijen. Linksonder het Kasteel te Brakel. Rechtsonder een man die collecteert, een vrouw geeft hem geld. thumb|250px|rechts|In het midden worden twee dorpen, Brakel en Pouderooijen, door golven zo hoog als de daken weggevaagd. Mensen worden meegesleurd. Linksboven werken mannen aan het verstevigen van een dijk te Vuren. Rechts vluchtende bewoners van Vuren en Dalem in de nacht van 12 op 13 maart. In de voorgrond omhelst een moeder haar kind. Rechtsonder hebben plattelandsbewoners zich verzameld voor het raadhuis te Gorinchem. Onderin een gezicht op Gorinchem tijdens de hoge waterstand. De prent werd gemaakt om geld in te zamelen voor de getroffen bewoners van het gebied. De watersnood van 1876 was een overstroming ten gevolge van dijkdoorbraken in 1876 in de Betuwe. Hoewel de ramp in de nationale geschiedschrijving wordt overschaduwd door andere vloeden, liet de gebeurtenis diepe sporen na in de lokale gemeenschappen.
Geschiedenis De overstroming werd veroorzaakt door een klassieke combinatie van winterse factoren. Na een periode van vorst zette eind februari de dooi in. Dit zorgde voor een enorme toevoer van smeltwater uit Duitsland. Tegelijkertijd hoopten grote ijsschotsen zich op in de rivierbeddingen (ijsgang), waardoor natuurlijke barrières ontstonden die het water opstuwden. Rond 22 februari bezweken de eerste binnendijken in de Betuwe, waardoor de rivier de Linge gevaarlijk vol stroomde. Begin maart bereikte de crisis een hoogtepunt toen de regen aanhield en het water in de Merwede en de Linge van dijk tot dijk stond.
Als centrale vestingstad op het kruispunt van de Merwede en de Linge lag Gorinchem direct in de vuurlinie. Het water steeg zo hoog dat de lagere delen van de stad blank kwamen te staan. Om te voorkomen dat de hele binnenstad onder water liep, bouwden bewoners en militairen haastig een 'kisting' (een houten nooddam gevuld met mest en stro) in de laaggelegen Dalempoort. In de straten rondom de stadsgrenzen was het normale wegverkeer onmogelijk geworden. Inwoners moesten zich noodgedwongen met houten schuiten door de straten verplaatsen.
De dorpen Dalem en Vuren, direct ten oosten van Gorinchem, werden bedreigd. De plaatselijke inundatiesluis en de rivierdijken stonden onder immense druk. De bewoners moesten dag en nacht met man en macht de kades versterken met zandzakken om een totale catastrofe te voorkomen.
Aan de Gelderse kant van de Waal, in de Bommelerwaard, ging het op 12 en 13 maart mis. Na een dijkbreuk bij Brakel stroomden de landerijen in rap tempo vol. Boerderijen kwamen diep in het water te staan. Stoomschepen moesten worden ingezet om hulpgoederen en levensmiddelen naar de getroffen inwoners van Brakel en Poederoijen te varen.
Hoewel er geen menselijke slachtoffers te betreuren waren, was de situatie voor de boeren wel rampzalig. Er verdronk veel vee dat niet op tijd naar de hoger gelegen dijken of omliggende steden kon worden gedreven. Bovendien leidde de watersnood in de maanden daarna tot bittere armoede, omdat de wintervoorraden veevoer en graan volledig door het vuile water waren vernield.
Toen het water in de loop van maart 1876 langzaam begon te zakken, werd de omvang van de materiële schade pas echt goed zichtbaar. Veel boeren waren hun oogst kwijt en huizen waren zwaar beschadigd. In Gorinchem werd direct een speciale Watersnoodcommissie opgericht. Door middel van landelijke collectes werd er geld ingezameld om de gedupeerde gezinnen in de dorpen te voorzien van kleding, voedsel en financiële steun.
Externe link De watersnoodramp van 1876
Categorie:Overstroming in Nederland Categorie:Geschiedenis van Gelderland Categorie:Geschiedenis van Nederland in de 19e eeuw Categorie:1876