De Koppelingswet koppelt de aanspraak van vreemdelingen op sociale voorzieningen aan het rechtmatig verblijf in Nederland. De wetgeving moest voorkomen dat vreemdelingen hun illegale verblijf zouden kunnen voortzetten doordat ze een uitkering krijgen.

Koppelingsbeginsel Het voorstel werd op 5 november 1996 door de Tweede Kamer aangenomen. De Eerste Kamer deed dat op 24 maart 1998. De wetgever hoopte hiermee een begin te maken met de aanpak van het onrechtmatig verblijf van bepaalde groepen vreemdelingen in Nederland.

Het koppelingsbeginsel heeft verstrekkende gevolgen voor twee groepen vreemdelingen, namelijk niet-toegelaten vreemdelingen die wel in Nederland verblijven, vaak aangeduid als illegalen; vreemdelingen die wel een aanvraag tot verblijf in ons hebben ingediend, maar waar de aanvraagprocedure nog in behandeling is.

Deze twee groepen ontvangen door de koppeling in de wet geen verstrekkingen, voorzieningen en/of uitkeringen ten laste van de overheid. De term "illegaal (persoon)" heeft in dit verband een specifieke vreemdelingenrechtelijke betekenis. Het gaat erom dat de in Nederland verblijvende vreemdeling toelating had moeten aanvragen, terwijl hij of zij dat niet heeft gedaan, of dat ze wel een aanvraag hebben ingediend, maar dat hun aanvraag door de overheid is afgewezen.

De Raad van Kerken en de kerkelijke filantropie waren het niet eens met deze aanpak en verdedigden de hulp aan illegalen op grond van humanitaire beginselen met een beroep op haar godsdienstige en historische roeping.

Doelstelling De bedoeling van de wet richtte zich op twee situaties. Ten eerste dat voorkomen moest worden dat illegale vreemdelingen verstrekkingen van de overheid en/of bepaalde uitkeringen kunnen krijgen terwijl zij zich niet hebben gehouden aan de Vreemdelingenwet. Wie als vreemdeling hier wil verblijven moet toelating aanvragen en wie niet is toegelaten dient Nederland onverwijld te verlaten. Dat principe is verwoord in artikel 15e van de Vreemdelingenwet. Als de vreemdeling zich daar niet aan houdt, dan is het onjuist dat deze wel uitkeringen, ontheffingen, verstrekkingen, voorzieningen enz. zou kunnen verkrijgen. Die situatie wil de wetgever met de koppelingswet voorkomen.

Ten tweede moest voorkomen worden dat illegalen en (nog) niet toegelatenen een schijn van legaliteit kunnen verwerven, via het verkrijgen van uitkeringen of andere middelen van de overheid. Hier doelt de wetgever vooral op het verschijnsel dat met name de vreemdeling wiens procedure (nog) niet is afgerond, hoe langer hoe meer in staat blijkt een zodanig sterke rechtspositie op te bouwen, of de schijn van een legale positie, dat deze na een negatieve uitslag van de aanvraagprocedure zo goed als onuitzetbaar blijkt, bijvoorbeeld doordat hij arbeidscontracten heeft kunnen sluiten, verplichtingen met derden is aangegaan enzovoorts.

Dat doet zich ook voor ten aanzien van hen die zich bewust buiten de toelatingsprocedure hebben gehouden, en dus geen aanvraag hebben ingediend, en zich via vergunningsbewijzen toch een toegang hebben weten te verschaffen tot de normale samenleving. In wezen had de toelatingsprocedure, indien het beginsel van het geïntegreerd vreemdelingenbeleid ook in dit opzicht niet zou worden doorgetrokken, geen enkele betekenis meer. De vreemdeling had een mechanisme in handen om zichzelf een oneigenlijk verblijfsrecht te verschaffen, ongeacht de vraag of de Nederlandse overheid in vreemdelingenrechtelijke zin instemt met bestendig verblijf van de vreemdeling. Dat wilde de koppelingswet eveneens voorkomen.

Categorie:Nederlandse wet op het gebied van het vreemdelingenrecht