De inspecteur der Infanterie was een functie binnen de Koninklijke Landmacht en het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger die vanaf 1813 tot 1940 in wisselende vormen heeft bestaan. De inspecteur is belast met het toezicht op organisatie, opleiding, inzet en personele aangelegenheden van het wapen der infanterie.
Geschiedenis
1813–1816: Inspecteur-Generaal Na de terugkeer van Willem I in 1813 en de oprichting van het staande leger op 9 januari 1814, werd op 11 maart 1814 de generale staf opgericht. Als lid hiervan werd een inspecteur-generaal van alle wapens benoemd, een functie die werd bekleed door de erfprins, de latere koning Willem II. Bij Koninklijk Besluit van 11 maart werd B.J.C. Dibbetz aangesteld als kolonel bij de armée, provisioneel de functie van inspecteur der infanterie waarnemende.
Op 18 februari 1815 werd de positie van de inspecteur-generaal ten opzichte van het departement van oorlog vastgelegd: hij stond direct onder de commissaris-generaal van oorlog (de minister) en mocht twee adjudanten tot zijn beschikking hebben. Zijn instructie verplichtte hem tot driemaandelijkse inspectiereizen langs alle korpsen, waarbij hij zowel het personele als het materiële beoordeelde. Na afloop diende hij nauwkeurig verslag uit te brengen bij het Departement van Oorlog.
1816–1818: Inspecteur-Generaal en Eerste Inspecteur-Generaal In 1816 werd, naast Dibbetz, luitenant-generaal R.D. Tindal benoemd tot eerste inspecteur-generaal der infanterie, als blijk van erkentenis voor zijn bewezen ijver. Er zijn geen instructies voor deze eerste inspecteur-generaal bekend, maar de inhoud van zijn functie was nagenoeg gelijk aan die van Dibbetz. Op 16 augustus 1818 werden beide functies opgeheven. De opheffing vond haar grond in het feit dat het nieuwe leger, aanvankelijk heterogeen van samenstelling, inmiddels tot een eenheid was gesmeed. Bovendien hadden de inspecteurs-generaal zich geleidelijk aanmatigender gedragen en zaken aan het Departement van Oorlog onttrokken.
1818–1840: Geen eenhoofdige leiding Na de opheffing van het inspecteur-generaalschap werd de inspectietaak overgedragen aan de generaals die de divisies commandeerden. Formeel werd de inspectiebevoegdheid bij het wapen der infanterie in 1826 expliciet verdeeld over zes generaals — één per Groot Militair Commando. In januari 1827 volgde een instructie voor twee soorten inspecties: inspecties gericht op personeel, onderwijs en oefeningen, en inspecties gericht op de administratieve controle.
Na de Belgische opstand van 1830 werd het leger gereorganiseerd en bleef de verdeling van de inspecties over divisie- en brigadegeneraals gehandhaafd, waarbij onderscheid gemaakt werd tussen het mobiele leger en garnizoenstroepen.
1850–1940: De Inspecteur als chef van het wapen Bij de reorganisatie van 1850 werd het volledige tussenniveau van divisies afgeschaft en vervangen door één inspecteur met de rang van luitenant-generaal, standplaats Den Haag. Tot eerste inspecteur werd provisioneel benoemd luitenant-generaal A. Schuurman. Aan hem werd een majoor der infanterie en een adjudant toegevoegd.
In februari 1851 ontving de inspecteur zijn instructie. Hij stond onder direct bevel van de Minister van Oorlog en was verantwoordelijk voor de geschiktheid en het gedrag van officieren en verder personeel, alsmede voor onderwijs, oefening, krijgstucht, inwendige dienst, kleding en wapens. Hij hield op door de minister bepaalde tijdstippen inspecties en rapporteerde daarna uitvoerig.
Bij de grote reorganisatie van 1873, mede ingegeven door lessen uit de Frans-Duitse oorlog van 1870, kwamen het Instructie-Bataljon, het Depot van Discipline en de Normaal Schietschool onder zijn bevelen. In november 1877 werd de inspecteur tevens chef van de derde afdeling (infanterie) van het Departement van Oorlog, maar deze situatie werd op 10 maart 1880 ongedaan gemaakt.
In mei 1902 werd de personeelsformatie van de inspecteur uitgebreid van drie naar vijf medewerkers. Na de reorganisatie van 1922, als gevolg van de nieuwe Dienstplichtwet, verloor de inspecteur zijn gedetacheerde luitenant, maar ontstond naast zijn functie die van inspecteur van de Vrijwillige Landstorm. Een bezuinigingspoging van de Minister van Defensie in 1932 om de functie op te heffen werd geblokkeerd door fel protest van de Chef van de Generale Staf en de Commandant van het Veldleger.
Na de capitulatie in mei 1940 werd het Nederlandse leger ontbonden. Vanaf 25 juni 1940 werden de taken van de inspecteur der Infanterie voortgezet door het Afwikkelingsbureau Inspecteur der Infanterie, per 15 juli 1940 opgevolgd door het Regelingsbureau Inspecteur der Infanterie. Op diezelfde datum werd de laatste inspecteur der Infanterie, W.F.A. Hackstroh, met pensioen gestuurd. Op 15 november 1940 werden ook de regelingsbureaus ontbonden; de resterende taak, het afwikkelen van schadevergoedingen, ging over op het Territoriaal Afwikkelingsbureau 's-Gravenhage III.
Lijst van inspecteurs der Infanterie Namen Van Tot Luitenant-generaal A. Schuurman 1851 1852 A.J. Verhorst 1853 1858 Luitenant-generaal H.F.K. Duycker 1859 1866 C.H. Happé 1867 1867 J.H. Engelbregt 1868 1872 N. Mac Leod 1873 1878 N. van Willis 1879 1884 F.J. Pfeiffer 1885 1891 J.N.A. Taets van Amerongen 1892 1892 H.P.J. Hennus 1893 1897 C.O. Kesteren 1898 1902 W.G.F. Snijders 1903 1905 J.M. Campbell 1906 1909 A.E. Roest van Limburg 1910 1911 Generaal-majoor W.F.K. Bischoff van Heemskerck 1 november 1911 1 november 1913 Kolonel P.D. Buijze 1 november 1913 1 mei 1917 Generaal-majoor W.D.A. Ophorst 1 mei 1917 1 mei 1919 Generaal-majoor H. Croockewit 1 mei 1919 1 augustus 1920 Generaal-majoor A.J.W. van der Grinten 1 augustus 1920 1 mei 1922 Kolonel W.H.C. Boellaard 1 mei 1922 1 oktober 1923 Kolonel W.S.A.A.H.M. van Rijswijk de Jong 1 oktober 1923 1 oktober 1926 Generaal-majoor J.H. Borel 1 oktober 1926 1 mei 1930 Kolonel J.H. Hardenberg 1 mei 1930 1 november 1932 Kolonel I.H. Reijnders 1 november 1932 1 mei 1934 Generaal-majoor H. de Iongh 1 januari 1936 1 november 1936 Generaal-majoor W.F.A. Hackstroh 1 november 1936 15 juli 1940
Literatuur
Recueil militair bevattende de wetten, besluiten en orders betreffende de Koninklijke Nederlandsche Landmacht
Infanterie