Joachim Hendrik Hardenberg (Den Haag, 26 november 1875 – aldaar, 25 februari 1939) was een Nederlands luitenant-generaal titulair der infanterie. Hij diende onder meer als commandant van de Luchtvaartafdeling en inspecteur der Infanterie.
Loopbaan Hardenberg bezocht de Koninklijke Militaire Academie van 1891 tot 1895. In 1895 trad hij in dienst als tweede luitenant bij het 5e Regiment infanterie. In 1901 volgde zijn bevordering tot eerste luitenant. Van 1906 tot 1909 bezocht hij de Hogere Krijgsschool. Na zijn afstuderen werd hij geplaatst bij het 6e Regiment Infanterie, waarbij hij in 1912 de rang van kapitein bereikte. In 1913 werd hij overgeplaatst bij het Regiment Jagers.
In 1916 werd Hardenberg overgeplaatst naar de Generale Staf, waar hij werd toegevoegd aan de commandant van de Nieuwe Hollandsche Waterlinie.
In 1919 werd Hardenberg benoemd tot commandant van de Luchtvaartafdeling te Soesterberg, een functie die hij in totaal tien jaar zou bekleden. Gedurende dit commandantschap werd hij op 1 november 1921 bevorderd tot majoor en op 1 februari 1925 tot luitenant-kolonel.
Voortbouwend op het werk van zijn voorganger richtte Hardenberg zich op de ontwikkeling van de militaire luchtvaart als tactisch wapen, inclusief de daarvoor benodigde ondersteunende eenheden. Dit gebeurde in een periode van forse bezuinigingen op de weermacht, waarin het behoud van de organisatie niet vanzelfsprekend was. Hardenberg zette in op continuïteit, zodat latere uitbreiding mogelijk bleef. Daarnaast pleitte hij in publicaties en lezingen voor een grotere rol van de luchtstrijdkrachten bij de verdediging van Nederland en Nederlands-Indië.
In 1929 keerde Hardenberg terug bij de troep als commandant van de 4e Infanteriebrigade. In 1930 werd hij benoemd tot inspecteur der Infanterie. In die hoedanigheid werd hij op 16 januari 1931 bevorderd tot generaal-majoor. In 1932 ging Hardenberg met pensioen. Bij zijn pensionering werd hem de titulaire rang van luitenant-generaal toegekend.
Hardenberg overleed op 63-jarige leeftijd te Den Haag. Hij werd begraven op Nieuw Eykenduynen.
Onderscheidingen
Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw (1929) Ridder in de Orde van Oranje-Nassau (1921) Commandeur in de Order van Sint Olaf (1926) Ridder 1e klas in de Orde van het Zwaard (1925) Onderscheidingsteken voor Langdurige Dienst als officier (1910)
Bron
Ministerie van Oorlog, Inventaris van de dienststaten en stamboeken der Officieren van de Koninklijke Landmacht en van de koloniale troepen in Nederland, Archief 2.13.04, Nationaal Archief, Den Haag
Categorie:Nederlands luitenant-generaal