Francesco Borosini (Modena, circa 1690 - 1755) was een Italiaanse tenor. Als een van de weinige tenoren genoot hij een groot aanzien binnen de muziekwereld. Hij had een succesvolle carrière in zowel Wenen als Londen en was dertien jaar lang muziekdirecteur van het Kärntnertortheater in Wenen.

Levensloop Hij kreeg muziekles van zijn vader Antonio Borosino, die als tenor werkzaam was aan het Weense keizerlijk hof. Het debuut van Francesco vond waarschijnlijk in 1709 plaats te Venetië in Antonio Lotti's Il vincitor generoso.

Wenen Van 1712 tot 1731 was Borosini in dienst bij het hof van keizer Karel VI te Wenen, waar hij de best betaalde tenor was. Zijn vocale bereik was zo groot dat hij met gemak ook partijen voor bas en bariton kon zingen. Hij zong in elf oratoria van Antonio Caldara en in diverse opera's van Johann Joseph Fux en Francesco Bartolomeo Conti. In 1716 was hij te horen in het oratorium Il Trionfo della Fede van Fux.

In 1719 zong Borosini de titelrol in de opera Bajazet van Gasparini. De betrokkenheid van Borosini bij deze opera was groot, hij paste het libretto aan en bedacht de sterfscene. De rol zou voor hem een belangrijke gebeurtenis in zijn zangcarrière worden.

In 1723 waren er in Praag festiviteiten wegens de verjaardag van keizerin Elisabeth. Onderdeel van de feesten was de opvoering van de opera Costanza e Fortezza van Fux, met Borosini in de rol van Orazio. Ook zijn echtgenote Rosa d'Ambreville - met wie hij in 1722 was getrouwdAls huwelijksjaar worden zowel 1722 als 1726 (zie: Kutsch) genoemd. - nam deel aan deze opera.

Londen In 1724 was Borosini in Londen om in het King's Theatre op te treden voor Händels Royal Academy of Music. Hij zong in Händels opera Tamerlano waarbij de rol van Bajazet speciaal voor Borosini's stem was aangepast. Vervolgens zong hij in Giulio Cesare en in Rodelinda (1725), beide opera's van Händel. Tevens was hij te horen in Ariosti's Artaserse en Dario. miniatuur|Het Kärntnertortheater (1830) In 1726 was Borosini weer terug in Wenen en verscheen in het Weense Kleine Hoftheater in Spartaco van Giuseppe Porsile, samen met de zangeres Faustina Bordoni.

Kärntnertortheater In 1728 werd Borosini samen met de danser Joseph Selliers directeur van het Weense Kärntnertortheater, waar hij intermezzi en opera's programmeerde. Voor Borosini was dit werk inmiddels belangrijker dan zijn zangcarrière en vanaf 1729 was hij dan ook niet meer actief als zanger. Desondanks trad hij in 1744 nog wel op in Ipermestra van Johann Adolph Hasse.

Dankzij zijn grote netwerk kon hij voor zijn operaproducties makkelijk aan zangers, componisten en librettisten komen. Toch ging het financieel moeizaam met het theater en in 1741 zette Borosini een punt achter zijn werkzaamheden. miniatuur|One Hundred Cantici in Italian after the manner of English Canons & Catches collected by Sigr. Borosini Over zijn theaterperiode zou hij in 1749 een boekwerkje publiceren: Memoria del Sig.r Borosini Sù l’Impresa delle Opera in Vienna. Hierin gaf hij adviezen aan theaterdirecties over financiën, de balans tussen uitgaven en kwaliteit, het aannemen van zangers en het zoeken naar voordelige decors.

Opnieuw in Londen In 1747 was Borosini weer terug in Londen om op te treden in Fetonte van Pietro Domenico Paradies en Bellerofonte van Domènec Terradellas. De uitvoeringen waren weinig succesvol, maar waarschijnlijk had Borosini zijn reis naar Londen vooral gedaan om zakelijke redenen en was het zingen een bijkomstigheid. Zo bracht hij er de collectie One Hundred Cantici in Italian after the Manner of English Canons and Catches uit, met composities van vooral Antonio Caldara.

Waardering In een tijd waarin castraatzangers de boventoon voerden, was het opmerkelijk dat Borosini als tenor een grote populariteit genoot. In Wenen ontving hij een hoog salaris en in Londen was hij de eerste Italiaanse tenor ooit. Hij werd geroemd om zijn zangstem en intense en flexibele acteerwerk; zijn stembereik was groot en hij had een stevige zangstijl. Hij was een van de weinigen die in staat was zowel komische als serieuze rollen te zingen. Voor componisten betekenden zijn kwaliteiten dat ze emotionele en impulsieve rollen voor hem konden schrijven.

Borosini beschikte over een groot netwerk van edelen, componisten en librettisten, waardoor hij veel invloed had in de muziekwereld. Borosini regelde operapartituren voor graaf Johann Adam von Questenberg (1678–1752); zelfs Borosini's echtgenote Rosa werd ingezet om tijdens haar optredens in Italië op zoek te gaan naar partituren voor de graaf.

Borosini was ook actief als componist, maar er is slechts één compositie bewaard gebleven: de cantate Quando miro o stella o fiore voor sopraan en basso continuo. Hij leverde deze cantate aan bij hertog Anton Ulrich van Saksen-Meiningen (1687–1763), een verwoed verzamelaar van muziekstukken. De hertog verbleef in de periode 1725-1728 namelijk in Wenen en vergaarde toen een groot aantal composities, in een poging om de keizerlijke muziekcollectie te evenaren. Dat een compositie van de als componist vrij onbeduidende Borosini in deze collectie werd opgenomen, zegt vooral veel over de gezaghebbende status van Borosini binnen de Weense muziekwereld.

Categorie:Italiaans zanger Categorie:Italiaans componist