Chou Wen-chung (Yantai, Shandong,28 juli 1923 - New York, 25 oktober 2019) was een Chinees-Amerikaanse componist van eigentijdse klassieke muziek. Daarnaast was hij muziekonderwijzer en cultureel diplomaat. Geboren in China vestigde hij zich na de Tweede Wereldoorlog in de Verenigde Staten, waar hij in 1958 het Amerikaans staatsburgerschap verwierf. In zijn qua omvang bescheiden muzikale oeuvre probeerde hij een synthese te vinden tussen authentieke Oost-Aziatische melodie-ritmes en moderne westerse muziekvormen. Jeugd in China Chou werd geboren in Yantai in het noord-oosten van China als derde kind in een gezin van zeven. Zijn vader Chou Zhongjie (1891-1987), had deelgenomen aan de Xinhairevolutie van 1911 in Shanghai. Wen-chungs vader werkte aanvankelijk als leraar en schoolhoofd. Later bekleedde hij een overheidsfunctie en werd hij verantwoordelijk voor de douane en het spoorwegbeheer in Nanjing. Wen-chungs vader speelde een belangrijke rol in zijn vroege opvoeding. Omdat Wen-chung een hartaandoening had kreeg hij voornamelijk thuisonderwijs. Zijn passie voor muziek begon als een hobby, hij leerde zichzelf viool, mandoline en mondharmonica spelen voordat hij op vijftienjarige leeftijd formele vioollessen begon aan de Muziekschool van Shanghai.

De Tweede Wereldoorlog begon voor China al in 1937, toen het Japanse keizerrijk delen van Oost-China bezette, waaronder Nanjing. Hierdoor werd het gezin gedwongen naar de Franse Concessie in Shanghai te verhuizen. Nadat het Japanse leger Shangai binnenviel, vluchtte Chou Wen-chung en kwam na vele omzwervingen uiteidelijk terecht in Chongqing, waar hij zich inschreef op de universiteit. Kort voor het einde van de oorlog behaalde hij daar een diploma civiele techniek. Naar Amerika Chou verkreeg in 1946 een beurs om in Amerika architectuur te studeren aan de Yale-universiteit, met de bedoeling mee te kunnen helpen aan de opbouw van zijn door de oorlog verwoeste land. Na korte tijd stopte Chou met deze studie en besloot zich aan de muziek te wijden. Chou was ervan overtuigd dat hij door de kracht van muziek en kunst meer kon bijdragen aan de verscheurde Chinese samenleving. Hij studeerde bij Nicolas Slonimsky aan het New England Conservatory. In 1949 verhuisde Chou naar New York om bij zijn broer te gaan wonen. Hij volgde lessen bij Otto Luening en Henry Paul Lang aan de Columbia-universiteit. Via een oud-leerling kwam hij in contact met Edgard Varèse, aan wie hij zijn compositie Landscapes liet zien. Varèse prees het stuk en nam hem aan als leerling. Varèse weigerde betaling voor zijn lessen, in ruil hiervoor werkte Chou als kopiist en assistent van de componist. Déserts, een stuk van Varèse voor blazersensemble, slagwerk en geluidsband uit de beginjaren 1950 is in het handschrift van Chou. Chou werd echter geen imitator van Varèse, het zou deze een gruwel zijn geweest, want het doel van Varèse was om de zoektocht naar en de ontdekking en expressie van een eigen muzikale stijl te stimuleren. Bij Varèse thuis ontmoette Chou tal van Europese en Amerikaanse kunstenaars. In 1954 studeerde Chou met zijn orkestwerk All in the Spring Wind af aan de Columbia-universiteit. In 1955 besteedde Chou twee jaar aan onderzoek naar klassieke Chinese muziek en drama met een beurs van de Rockefeller Foundation. Hij verkreeg in 1958 het Amerikaanse staatsburgerschap.

Carrière In 1954 werd Chou technisch assistent bij het Computer Music Center van de Columbia-universiteit. Tegelijkertijd werd hij benoemd tot directeur van een onderzoeksproject naar Chinese muziek en drama. Dit onderzoek versterkte zijn eigen esthetische overtuigingen en leidde hem in zijn compositiedenken tot een synthese van theorieën over kalligrafie, guqin (een zevensnarige citer), enkelvoudige tonen en de I Ching.

Na Varèse's dood in 1965 werd Chou zijn literair executeur en redigeerde en voltooide hij verschillende van zijn werken. Later zou hij met het Koninklijk Concertgebouworkest onder leiding van Riccardo Chailly en het Asko Ensemble de opnames verzorgen van "The Complete Works". In 1998 werden de opnames door Decca Records uitgebracht. De opname werd in 1999 genomineerd voor een Grammy Award in de categorie Best Orchestral Performance. In 2003 droeg Chou Varèse's manuscripten en materiaal over aan het Paul Sacher Archief en Onderzoekscentrum in Bazel, Zwitserland.

In 1978 richtte Chou het 'Center for United States-China Arts Exchange' op aan de Columbia-universiteit en werd hij een pionier in het herstellen van culturele banden die dertig jaar lang verbroken waren geweest. Gedurende vier decennia heeft het Centrum baanbrekende projecten uitgevoerd op het gebied van dans en muziek.

Muziek De vroege werken van Chou vertonen als kenmerk het gebruik van Chinese poëzie als inspiratiebron en het rechtstreeks citeren van Chinese melodieën. Vanaf eind jaren 1950 begon Chou te experimenteren met variabele modi in zijn composities. Jianjun He classificeerde Chou's werken in twee categorieën: "pentatonisch-gerelateerde" of "op variabele modi gebaseerde" composities. Ideogrammen zijn een ander evolutionair concept waarmee Chou experimenteerde in zijn poging tot synthese van westerse en oosterse elementen. Hij probeerde Chinese klanken weer te geven met behulp van westerse instrumenten. Chou is een begenadigd kalligraaf en na jarenlang oefenen met de verschillende stijlen en schriften van de Chinese kalligrafie, begon hij de parallellen te zien tussen de kunst van de kalligrafie en de muziek.

In zijn latere werken neigde Chou naar abstractie en ontwikkelde hij de variabele modus verder om deze flexibeler te maken. In 2019 ontving Chou een eredoctoraat aan het New England Conservatory.

Categorie:20e-eeuws componist Categorie:21e-eeuws componist Categorie:Chinees componist