Johann Graf (gedoopt in Neurenberg, 26 maart 1684 - Rudolstadt, 2 februari 1750) was een Duitse componist, violist en kapelmeester. Zijn carrière voerde hem van Neurenberg en het leger naar een aanstelling in Mainz en Bamberg, om uiteindelijk in 1722 in Rudolstadt terecht te komen. Daar bleef hij werkzaam tot aan het einde van zijn leven.
Levensloop Graf was de zoon van onderwijzer Hans en diens echtgenote Barbara Zetter. Al op jonge leeftijd kreeg hij viool- en hoboles en leerde hij componeren.
Leger Graf werkte als jonge musicus eerst in de St. Jakob te Neurenberg. In 1708 kreeg hij een aanstelling in het regiment van generaal Georg Wilhelm Löffelholtz als instructeur en leider van de hoboïstengroep. In de zes jaar dat hij diende, was hij voor gevechten in Hongarije. Hij kreeg echter ook de mogelijkheid om in Wenen opleidingen te volgen in het vioolspel en componeren.
Mainz en Bamberg Na het einde van de Spaanse Successieoorlog in 1713 werkte Graf voor Lothar Franz von Schönborn, aartsbisschop van Mainz en tevens bisschop van Bamberg. Graf was eerst aan diens hof te Mainz verbonden als leider van de hoboïstenband. Uiterlijk in 1715 werkte hij als hofmusicus aan het hof te Bamberg.
Rudolstadt In 1722 werd Graf benoemd tot concertmeester aan het hof van Schwarzburg-Rudolstadt waar hij de leiding kreeg over de tafelmuziek. Hij schreef vele composities, zowel kerk- en tafelmuziek als theatrale werken. Bij een brand in het kasteel in 1735 gingen zijn composities echter verloren.
Graf werd in 1739 tot kapelmeester benoemd nadat K.H. Lyra was overleden. De hofkapel bestond toen uit dertig musici, waaronder drie van Grafs zonen.
In augustus 1742 vonden festiviteiten plaats rondom de verjaardag van Frederik Anton van Schwarzburg-Rudolstadt. Hoewel Graf de leiding had speelde de musicus Christoph Förster - die sinds 1717 werkzaam was in Merseburg - een belangrijke rol in de festiviteiten. Het volgende jaar werd Förster aan het hof te Rudolstadt aangenomen als vice-kapelmeester.
Toen Graf ziek werd moest hij zijn werk als kapelmeester stopzetten. Een van zijn zonen nam tijdelijk waar totdat Christoph Förster de functie in 1745 op zich nam.
Persoonlijk Graf was getrouwd met een verder onbekend gebleven vrouw. Het echtpaar kreeg een dochter en zes zonen die van hun vader muziekles kregen. Christiaan Ernst (1723-1804) zou als componist en kapelmeester aan de slag gaan in Nederland, terwijl Friedrich Hartmann (1727-1795) zich bewees als fluitist en componist.
Werken Grafs vioolsonates opus 1 uit 1718 zijn verloren gegaan, maar zijn vioolsonates uit 1723 (opus 2) en 1737 (opus 3) zijn bewaard gebleven. Verder publiceerde hij in 1739 in Augsburg Sechs kleine Partien (opus 5) voor strijkkwartet. Zijn zes solowerken voor viool en basso continuo - geschreven in de stijl van Händel - zijn van onbekende datum. Grafs eerste werk - de vioolsonates opus 1 - waren opgedragen aan Rudolf Franz Erwein Graf von Schönborn, de neef van aartsbisschop Lothar Franz.
Graf toonde in zijn muziek ruimte voor melodische pathos en een vorm van empfindsame stijl.
Categorie:Duits componist Categorie:Duits violist