Celia Johnson (Richmond upon Thames (Londen), 18 december 1908 – Nettlebed, 26 april 1982) was een Britse actrice. Johnson speelde vaak doodgewone en volhardende vrouwen. Leven en werk Opleiding en toneelactrice In 1926 werd Johnson toegelaten aan de Royal Academy of Dramatic Art in Londen. Wat later ging ze in Parijs lessen volgen bij Pierre Fresnay aan de Comédie-Française. In 1928 debuteerde ze op de planken in een stuk van George Bernard Shaw in Huddersfield. Daarna keerde ze terug naar Londen. In 1931 reisde ze voor het eerst naar de Verenigde Staten om in New York Ophelia te spelen in Hamlet (Shakespeare).
Terug in Londen acteerde Johnson in een aantal bescheidener stukken. Wat later brak ze door dankzij het komisch stuk The Wind and the Rain, een van de belangrijkste internationale theatersuccessen van de jaren dertig. Ze vertolkte de vrouwelijke hoofdrol van beeldhouwster gedurende meer dan twee jaar (1933-1935). In 1940 vertolkte ze Elizabeth Bennet in de toneeladaptatie van Pride and Prejudice alsook de tweede mevrouw de Winter in de door Daphne du Maurier zelf aangepaste toneelversie van Rebecca. Beide rollen versterkten aanzienlijk haar reputatie. Film: Brief Encounter Johnsons naam wordt meestal verbonden met de drie films die ze maakte met de tandem Noël Coward-David Lean. De oorlogspropagandafilm In Which We Serve (1942) genoot enorm veel bijval zowel in het Verenigd Koninkrijk als in de Verenigde Staten. Waar In Which We Serve de tweede meest bekeken Britse film was in het Verenigd Koninkrijk in 1943 was This Happy Breed (1944) de meest bekeken Britse film in 1944. In This Happy Breed wordt een familie uit de Londense buitenwijken vanaf het einde van de Eerste Wereldoorlog gevolgd tegen de achtergrond van nieuwe gebeurtenissen en uitvindingen tot de groeiende dreiging van een nieuwe oorlog.
Johnson is een voorbeeld van een actrice die herinnerd wordt door één rol. Ze is populair gebleven dankzij het romantisch drama Brief Encounter (1945) van David Lean. In eigen land behaalde de film maar een gematigd succes maar in de Verenigde Staten werd de film enthousiast onthaald, wat in 1947 dan ook leidde tot haar nominatie voor de Oscar voor beste vrouwelijke hoofdrol. Johnson speelde er een huisvrouw die is gehuwd met een fatsoenlijke man die haar echter niet veel aandacht schenkt. Om de dagdagelijkse sleur te doorbreken gaat zij elke donderdag met de trein naar de stad om er te winkelen en een film in de bioscoop te zien. Zo ontmoet ze een getrouwde dokter die ook elke donderdag naar de stad reist om er te helpen in het hospitaal. Het begin van een liefdevolle relatie die hartverscheurend eindigt. Film, toneel en televisie na de oorlog Film Na de oorlog en Brief Encounter verkoos Johnson zich te focussen op de opvoeding van haar kinderen en op het familiaal gebeuren zodat haar carrière op een laag pitje kwam te staan. Haar occasioneel acteerwerk was van ondergeschikt belang: in de jaren vijftig speelde ze slechts mee in zes films.
De eerste, het drama The Astonished Heart (1950), werd geïnspireerd door de thematiek van de buitenechtelijke relatie van Brief Encounter. Beide films waren gebaseerd op een toneelstuk van Noël Coward die ook het scenario schreef. The Astonished Heart was echter een commerciële flop. Het semi-documentaire drama I Believe in You (1951) toonde Johnson als toegewijde reclasseringsambtenaar. Het drama The Holly and the Ivy (1952) was een weinig geslaagde kerstfilm. De opvolger, de Alec Guinness-komedie The Captain's Paradise (1953), werd heel gunstig onthaald. Johnson belichaamde een standvastige en verstandige vrouw die al jaren wordt bedrogen door haar man die veerbootkapitein is. In het tragikomische A Kid for Two Farthings (1955) vertolkte ze de moeder die met haar zoontje in de armtierige Londense wijk East End woont. Het jongetje is vastbesloten om de wensen van de arme buren te vervullen door een eenhoorn te kopen met zijn spaarpot. Hij rekent op de hem aangeprate magische kracht van het dier maar eigenlijk gaat het om een ziekelijk geitje met slechts één hoorn. The Good Companions (1957) was een musicalfilm waarin ze als een rijke op avontuur beluste oude vrijster samen met twee andere filantropen de carrière van een muziekgroep zonder geld nieuw leven wil inblazen.
Twaalf jaar later, in 1969, verscheen Johnson voor de laatste keer op het witte doek: in het drama The Prime of Miss Jean Brodie werd ze gecast als de stoïcijnse en strenge directrice van een meisjesschool in het Edinburgh van de jaren dertig. Voor deze rol kreeg ze de BAFTA Award voor beste actrice in een bijrol. Toneel In 1958 verscheen ze in The Flowering Cherry (Robert Bolt). Als lid van het theatergezelschap Royal National Theatre, opgericht door Laurence Olivier, trad ze op in Bygmester Solness (1964, Henrik Ibsen) en in Hay Fever (1965, Noël Coward).
In 1982 was ze op tournee met Ralph Richardson met een toneelstuk van Angela Huth. De voorstellingen in de West Endwijk waren al aangekondigd toen ze tijdens een vrije dag onverwachts thuis overleed. Televisie Vanaf de jaren zeventig tot aan haar overlijden in 1982 was ze af en toe te zien op de televisie, nogal dikwijls in voor de televisie verfilmd toneel. Voor haar acteerprestaties kreeg ze twee keer een nominatie voor de British Academy Television Award voor beste actrice en won ze die prijs ook een keer. Privéleven Eind december 1935 huwde Johnson met Peter Fleming (1907-1971), een Britse avonturier, journalist en auteur van reisverhalen en ander non-fictiewerk. Hij was de oudere broer van Ian Fleming, de geestelijke vader van James Bond. Johnson en Fleming hadden drie kinderen: een zoon, Nicholas (1939-1995), en twee dochters, Kate (1946) en de actrice Lucy (1947).
Johnson overleed in 1982 op 73-jarige leeftijd thuis aan de gevolgen van een beroerte.
Filmografie Speelfilms 1941 - A Letter from Home (Carol Reed) (korte documentaire) 1942 - In Which We Serve (David Lean en Noël Coward) 1943 - Dear Octopus (Harold French) 1944 - This Happy Breed (David Lean) 1945 - Brief Encounter (David Lean) 1950 - The Astonished Heart (Carol Reed) 1951 - I Believe in You (Basil Dearden en Michael Relph) 1952 - The Holly and the Ivy (George More O'Ferrall) 1953 - The Captain's Paradise (Anthony Kimmins) 1955 - A Kid for Two Farthings (Carol Reed) 1957 - The Good Companions (J. Lee Thompson) 1969 - The Prime of Miss Jean Brodie (Ronald Neame) Televisie 1971 - Play for Today (serie, episode The Cellar and the Almond Tree) 1973 - Play for Today (serie, episode Mrs. Palfrey at the Claremont) 1976 - Dame of Sark (film) 1978 - Les Misérables (film) 1980 - The Hostage Tower (film) 1980 - Staying On (film) 1980 - All's Well That Ends Well (film) 1981 - Celebrity Playhouse (serie, episode The Potting Shed) 1983 - Number 10 (serie, episode Old Glad Eyes) Prijzen en nominaties Prijzen 1947 - National Board of Review of Motion Pictures voor beste actrice voor This Happy Breed 1947 - New York Film Critics Circle Award voor beste actrice voor Brief Encounter 1970 - BAFTA Award voor beste actrice in een bijrol voor The Prime of Miss Jean Brodie 1974 - British Academy Television Award voor beste actrice voor Mrs. Palfrey at the Clarement Nominaties 1947 - Oscar voor beste vrouwelijke hoofdrol voor Brief Encounter 1953 - BAFTA Award voor beste actrice in een hoofdrol voor I Believe in You 1954 - BAFTA Award voor beste actrice in een hoofdrol voor The Captain's Paradise 1981 - British Academy Television Award voor beste actrice voor Staying On 1982 - British Academy Television Award voor beste actrice voor The Potting Shed Bibliografie Kate Fleming: Celia Johnson: A Biography, Weidenfield and Nicolson, 1991
Categorie:Brits acteur Categorie:Brits filmacteur