Giuseppe Antonio Gennaro Giovanni Porsile (Napels, 5 mei 1680 - Wenen, 29 mei 1750) was een Italiaanse componist, zangleraar en kapelmeester. Vrijwel zijn gehele carrière werkte hij aan het Habsburgse hof, eerst in Barcelona en vanaf 1713 in Wenen.

Levensloop Giuseppes ouders waren Candida Roncagliolo en de drukker Carlo Porsile, wiens opera Nerone in 1686 werd opgevoerd in Napels. Hij had minstens twee broers: Secondino en Francesco. De jonge Giuseppe kreeg les aan het Napolitaanse Conservatorio dei Poveri di Gesù Cristo, met leraren als Gennaro Ursino, Matteo Giordano en Gaetano Greco.

Hij schreef in Napels de opera Il ritorno d’Ulisse alla patria die in 1707 werd opgevoerd in het pas gerenoveerde Nuovo Teatro di S Giovanni de’ Fiorentini. Deze uitvoering maakte deel uit van een nieuw en innovatief operaseizoen in Napels, georganiseerd door impresario Nicola Serino. Hiervoor had Serino jonge musici en componisten aangetrokken die nog niet verbonden waren aan het koninklijk hof.

Kort na deze opvoering kreeg Porsile in Napels een aanstelling als vice-kapelmeester van de Spaanse kapel.

Barcelona In 1707 werd Porsile gerekruteerd door medewerkers van de Spaanse koning Karel III, die kort daarvoor de macht had overgenomen in Spanje. Karel liet in 1707 een nieuw paleistheater bouwen in Barcelona en was hard op zoek naar musici en zangers. Daarom reisden zijn medewerkers in 1707 richting het Koninkrijk Napels en contracteerden onder andere Porsile.

Porsile kwam waarschijnlijk eind december per schip aan in Barcelona, op tijd voor zijn nieuwe aanstelling die op 1 januari 1708 van start ging. Hij werd kapelmeester, maar moest ook het orgel bespelen en muziek componeren, waaronder opera's, intermezzi en kerkmuziek. miniatuur|Titelblad van Il ritorno di Ulisse alla patria (1707) Porsile trouwde in deze periode met Josefina Béjar. Zij was eerder met haar vader - een militair uit Cordoba - vanuit Andalusië naar Catalonië gevlucht.

Wenen In 1711 moest Karel de troon van Spanje opgeven en hij keerde terug naar Wenen, waar hij als keizer Karel VI werd ingehuldigd. Zijn echtgenote Elisabeth Christine van Brunswijk-Wolfenbüttel reisde hem in 1713 na. Porsile hoopte nu op een aanstelling in Wenen en reisde met zijn echtgenote en schoonvader mee in de entourage van Elisabeth. Tijdens een tussenstop in Milaan werd Porsiles contract ontbonden, maar hij besloot niets met zijn herwonnen vrijheid te doen. Hij reisde dus verder in het gevolg van Elisabeth naar Wenen, in de hoop op een goede dienstbetrekking daar. Onderweg gaf hij Elisabeth zanglessen.

Eenmaal in Wenen bleek de nieuwe kapelmeester Johann Joseph Fux voldoende te hebben aan Carlo Agostino Badia als hofcomponist. Porsile legde Fux' beslissing voor aan keizer Karel, maar dat leverde hem niets anders op dan een klein jaarpensioen van 200 dukaten voor de duur van vier jaar. Daarnaast gaf hij ook nog zangles aan Amalia Wilhelmina, de weduwe van de vorige keizer. Hij schreef voor haar minstens drie composities, terwijl haar dochters Maria Josepha en Maria Amalia in 1717 het door hem geschreven verjaardagslied Il giorno natalizio ten gehore brachten in het bijzijn van de keizerlijke familie.

In 1717 solliciteerde Porsile voor de functie van vice-kapelmeester, met Antonio Caldara en Francesco Scarlatti als concurrenten. Ondanks de lovende woorden van Fux koos de keizer voor Caldara. Porsile kreeg slechts de secretariële functie van attuario di camera en een eretitel van kapelmeester.

Hij schreef in 1718 het muziekdrama Alceste, ter ere van de naamdag van keizerin Elisabeth. Als libretto dienden de verzen van hofdichter Pietro Pariati.

Aanstelling als hofcomponist Porsile was gefrustreerd geraakt over zijn situatie in Wenen. Hij vond dat de andere musici die in 1713 uit Barcelona waren overgekomen, beter waren behandeld dan hij. In 1720 legde hij in een brief aan de keizer uit dat hij het financieel moeilijk had; ook meldde hij dat hij een lange staat van dienst had en graag een vaste aanstelling wenste. Kort hierna kon hij Gregorio Genuesi opvolgen als hofcomponist voor een salaris van 1440 florijnen.

In 1723 werd zijn compositie Il giorno felice opgevoerd in Praag ter ere van de kroning van Karel VI en Elisabeth als koning en koningin van Bohemen.

Porsiles echtgenote Josefina overleed op 7 juli 1723. Hij hertrouwde in oktober 1724 met Maria Theresia von Wider.

In de jaren 1725-1727 was Porsile een actief lid van de Caecilien-Bruderschaft. Deze muziekvereniging van keizerlijke hofmuzikanten was eind 1725 gesticht.

Lodewijk XV In 1726 schreef Porsile de cantate Il giorno natalizio di Giove ter ere van de verjaardag van de Franse koning Lodewijk XV. Deze cantate werd uitgevoerd in het paleis van de Franse ambassadeur.

Opvallend is dat ook de andere hofcomponist, Francesco Bartolomeo Conti, een cantate voor koning Lodewijk schreef. Mogelijk wilde keizer Karel op deze manier de diplomatieke banden met Frankrijk versterken. Het kan overigens ook dat Karel de composities gewoon uit beleefdheid liet schrijven vanwege Lodewijks huwelijk en bijkomende feestelijkheden datzelfde jaar.

Rechtszaak In 1729 was Porsile betrokken bij de rechtszaak tussen musicus Matteo Luchini en sopraan Margherita Gualandi. De sopraan was naar Praag vertrokken en moest Luchini nog betalen voor twaalf aria's. Porsile schreef als een van vier prominente componisten een brief aan de Praagse autoriteiten waarin hij Luchini's vergoeding voor de aria's verdedigde.

Laatste jaren In 1732 overleed Porsiles collega Conti; vier jaar later stierf Caldara. Porsile kreeg nu de opdracht om voor het carnaval van 1737 een nieuwe opera te schrijven. Deze opera had de titel Sesostri re d'Egitto en zou zijn voorlaatste opera worden.

In 1740 overleed keizer Karel VI. Porsiles salaris werd een jaar later verlaagd naar 1200 florijnen.

Op 1 april 1750 kreeg Porsile een pensioen toegekend, maar reeds twee maanden later overleed hij. Zijn echtgenote Maria Theresia overleed op 3 november 1772.miniatuur|Titelpagina van het libretto van Spartaco Werk en betekenis In Napels schreef Porsile in 1707 de opera Il ritorno d’Ulisse alla patria. Van 1708 tot 1713 was hij werkzaam in Barcelona en daar diende hij onder andere opera's en kerkmuziek te schrijven. Er is echter niets bekend over eventuele composities van zijn hand uit zijn Spaanse periode. Wel is er een verslag van Francesco Gemelli die in 1708-1709 Barcelona bezocht en vele muziekuitvoeringen heeft bijgewoond; het is aannemelijk dat het hierbij om muziek van Porsile ging.

Van Porsiles lange periode aan het Weense hof is wel een groot aantal composities bekend. In de jaren 1717-1737 produceerde hij voor het Habsburgse hof minstens 21 seculiere werken en 13 oratoria. Belangrijk hierbij waren 14 composities speciaal voor de naamdagen en de verjaardagen van de keizerlijke familie.

Zijn meest bekende en hoogst gewaarde werk was het muziekdrama Spartaco, waarvan de eerste uitvoering plaatsvond op 21 februari 1726 in het Kleines Hoftheater. Deze uitvoering was tevens het Weense debuut van de mezzosopraan Faustina Bordoni. Porsile had bij het componeren rekening gehouden met de grootse zangkwaliteiten van Bordoni. Tevens liet hij het orkest meespelen bij vrijwel alle zangpartijen en dus niet alleen tijdens de ritornello's. Een criticus weet het succes van het muziekdrama vooral aan de schoonheid van de muziek en het briljante zingen door Faustini.

Het merendeel van Porsiles cantates is bewaard gebleven in twee manuscripten. Het is onduidelijk wanneer ze zijn gecomponeerd. Een deel van de cantates is voorzien van de mededeling 'Scuola di Canto/del Signore Giuseppe Porsile': mogelijk waren deze dus bedoeld voor de zanglessen van keizerin Elisabeth en keizerin-moeder Amalia Wilhelmina.

Barok en preklassiek Porsile was een componist uit de late barok. Waarschijnlijk was hij de enige Napolitaanse componist die een hoge functie verkreeg aan het Weense hof, dat immers doorgaans werd gedomineerd door componisten uit de conservatievere Noord-Italiaanse school. Porsiles composities sloten echter goed aan bij de wensen van het hof: hij maakte gebruik van contrapunctie en de Franse ouverture. Waarschijnlijk was het dankzij deze componeerstijl dat hij door het hof werd geaccepteerd.

Porsiles muziek werd overschaduwd door zijn in Wenen verblijvende collega's Joseph Fux, Francesco Bartolomeo Conti en Antonio Caldara. Desondanks heeft hij een belangrijke bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van de pre-klassieke stijl in Wenen, met dank aan zijn vermenging van Noord-Italiaanse en Napolitaanse elementen. Ook werd zijn muziek gewaardeerd door Karel VI. Ondanks de eerste jaren van onzekerheid, kreeg Porsile uiteindelijk een vaste aanstelling en vergaarde hij een aanzienlijk kapitaal. Zijn weduwe genoot tot aan haar eigen overlijden in 1772 het vruchtgebruik van zijn bezittingen, waarna het resterende kapitaal van 10.000 florijnen naar de kinderen van Porsiles broer Secondino ging.

Categorie:Italiaans componist Categorie:Muziekpedagoog