Zhengheornis is een geslacht van basale vogels dat tijdens de late Jura leefde in het gebied van het huidige China. De enige benoemde soort is Zhengheornis buyu. De soort verschaft belangrijke informatie over de vroege evolutie van de vogels.
Vondst en naamgeving Het Fujian Province Geological Science Research Institute voert opgravingen uit in een rijk vondstgebied bij het dorp Yangyuan in de prefectuur Zhenghe nabij Nanping in de provincie Fujian. Het gebied heeft al Fujianvenator en Baminornis opgeleverd. Tussen 10 maart en 28 april 2024 werd een laag afgegraven waarin het fossiel van een kleine theropode ontdekt werd. Het werd geprepareerd door Li Yujuan. Geconcludeerd werd dat het om een nog niet beschreven basale vogel ging.
In 2026 werd de typesoort Zhengheornis buyu benoemd en beschreven door Wang Min, Tang Jianrong, Deng Ke, Dong Liping, Xu Liming, Xu Xing, Lin Min, Du Honggang, Lin Ganmin, Chen Runsheng, Zhang Chi en Zhou Zhonghe. De geslachtsnaam combineert een verwijzing naar Zhenghe met het Grieks ornis, "vogel". De soortaanduiding betekent "onverwacht" in het Mandarijn, duidend op de unieke bouw van de staart, maar verwijst ook naar de Guoyu, de "Vertogen der Staten", een befaamde verzameling redevoeringen en historische verslagen uit de Periode van Lente en Herfst.
Het holotype, IVPP V34168, is gevonden in een stratum, "laag 6", van de Nanyuanformatie die dateert uit het Tithonien. Het bestaat uit een skelet zonder schedel, platgedrukt op een plaat en tegenplaat. Behalve de schedel ontbreken de nek en de schoudergewrichten. Veel botten zijn slechts als natuurlijke afgietsels bewaard. Uitgebreide delen van het verenkleed zijn aanwezig. Het betreft een volwassen of jongvolwassen individu.
Beschrijving Grootte en onderscheidende kenmerken Zhengheornis heeft een geschatte lengte van twintig centimeter. De spanwijdte is ruim een voet. Daarmee was Zhengheornis in 2026 de kleinste vogel die uit de Jura bekend was. Het gewicht is geschat op 74 tot 163 gram. Pas tijdens het Krijt zouden er kleinere Enantiornithes verschijnen. Het is daarmee de kleinste theropode ooit buiten de Pygostylia.
De beschrijvers stelden enkele onderscheidende kenmerken vast. Drie daarvan zijn autapomorfieën, unieke afgeleide eigenschappen, ten opzichte van de ruimere Paraves. De staart is met vijftien wervels korter dan de achterpoot, inclusief middenvoet. De laatste twee staartwervels zijn doosvormig. Het slanke zitbeen heeft een laag geplaatste knopvormige processus obturatorius en mist onderaan een achterste uitsteeksel.
Daarnaast is er een unieke combinatie van op zich niet unieke kenmerken. De middelste en achterste staartwervels zijn minder langwerpig vergeleken met de toestand bij andere Avialae met een lange benige staart. Het eerste kootje van de derde vinger is korter dan het tweede kootje anders dan bij Archaeopteryx en Fujianvenator. Het derde kootje van de derde vinger is 50% langer dan het tweede kootje. Het kuitbeen is kort, ver boven de enkel eindigend. Het eerste middenvoetsbeen raakt het tweede middenvoetsbeen op het onderste derde deel. Het tweede middenvoetsbeen eindigt ver boven de trochlea van het derde middenvoetsbeen. De eerste teen is kort met een klauw die kleiner is dan de andere voetklauwen. De tweede teen is robuust en heeft de langste kootjes, inclusief klauw, van de hele voet.
Skelet Bij de wervels van de voorste rug zijn de doornuitsteeksels aan de basis ingesnoerd en hoger dan hun wervellichamen. Dat is omgekeerd bij alle andere bekende Paraves van de Jura. Er zijn vermoedelijk vijf wervels in het synsacrum, net zoveel als bij andere Paraves in de Jura maar minder dan bij meer afgeleide vogels.
De staart is kort, zowel door een laag aantal wervels als door een geringe langwerpigheid van die wervels. Het is mogelijk dat er slechts vijftien staartwervels zijn. Dat is lager dan de minstens drieëntwintig bij Archaeopteryx of de minstens tweeëntwintig bij Jeholornis. Alleen de voorste vijf wervels hebben zijuitsteeksels, daarna ligt de overgang naar de middenstaart zoals bij Archaeopteryx en Anchiornis maar afwijkend van de Deinonychosauria waar het overgangspunt bij de negende of tiende wervel ligt. De zijuitsteeksels zijn slank als bij Anchiornis en de Troodontidae in plaats van naar het uiteinde verbredend zoals bij Archaeopteryx en de Dromaeosauridae. De wervels achter het overgangspunt zijn niet zo langwerpig als bij Fujianvenator en Archaeopteryx. De twee laatste staartwervels, vermoedelijk de veertiende en vijftiende, zijn zeer afwijkend: ze zijn balkvormig met een stomp bol uiteinde. Ze zijn korter dan de vier voorliggende wervels, 1,4 maal langer dan hoog in plaats van tweemaal langer dan hoog. Bij alle andere bekende Paraves met een lange staart zijn de uiterste staartwervels splintervormig en meer dan driemaal langer. Nooit zijn ze doosvormig. Daarentegen heeft Caudipteryx, overigens een lid van de Oviraptorosauria, wel zulke wervels. Daar leidde men uit af dat deze wervels inderdaad de laatste waren en er geen ontbraken. De twee laatste wervels zijn niet met elkaar vergroeid en vormen dus geen pygostyle. Gezien de individuele leeftijd zou dat geen gevolg zijn van een onvoltooid rijpingsproces. De voorste chevrons zijn hoog en rechthoekig zoals bij Archaeopteryx en Anchiornis, niet staafvormig als bij Deinonychosauria en Oviraptorosauria. Meer achterste chevrons zijn staafvormig maar raken elkaar niet.
Er is geen sikkelklauw aan de voet.
Verenkleed Het hele skelet wordt omringd door veren. Het verenkleed loopt door over de bovenkant van de middenvoet. De slagpennen hebben gepunte uiteinden en lijken asymmetrisch te zijn, een aanpassing om veren niet te laten omklappen bij het vliegen. Veel details van juist de staartveren, die interessant zouden kunnen zijn gezien het aparte staartuiteinde, zijn niet zichtbaar. Het kan niet vastgesteld worden of de brede laatste wervels een staartwaaier dragen, noch welke vorm die zou kunnen hebben.
Fylogenie Zhengheornis is zeer basaal in de Avialae geplaatst, net boven Archaeopteryx in de stamboom. Hun klade vormt de zustergroep van de Anchiornithinae waarin Fujianvenator geplaatst werd, een bewijs dat beide taxa niet identiek zijn. Baminornis, die wel een pygostyle heeft, staat hoger in de stamboom.
Dat Zhengheornis zich in de Avialae bevindt, wordt in de analyse ondersteund door de synapomorfie, gedeelde nieuwe eigenschap van een overgangspunt in de staart dat vóór de zevende wervel ligt. De positie boven Archaeopteryx wordt ondersteund door een tweede middenvoetsbeen dat niet verder reikt dan de basis van de trochlea van het vierde middenvoetsbeen en een onderste uiteinde van het opperarmbeen dat minder dan half zo breed is als de schacht.
Levenswijze Om de levenswijze van Zhengheornis te bepalen voerden de beschrijvers morfometrische analyses uit van de proporties. Daaruit bleek dat die het midden hielden tussen de Enantiornithes en de Ornithuromorpha. De eerste groep zagen ze als boombewoners en de tweede als bodembewoners. Op dat laatste wees een korte en hoge eerste teen, een kort kuitbeen en vrij korte voetklauwen. Een aanpassing om in een boom te zitten zou een kort scheenbeen kunnen zijn. Over het algemeen was Zhengheornis niet erg gespecialiseerd overeenkomstig de basale fylogenetische positie.
Veel aandacht besteedde het beschrijvende artikel aan de evolutie van de staart. Vogels zouden in de late Jura en het vroege Krijt hun oorspronkelijk lange benige staarten vervangen door korte pygostylia maar gedurende vele miljoenen jaren zouden beide vormen naast elkaar bestaan zoals in de Zhenghefauna. Jeholornis bewijst dat staarten ook langer konden worden. Duidelijke tussenvormen waren tot 2026 zeldzaam terwijl embryologisch onderzoek aantoonde dat slechts een paar puntmutaties of een ontsteking voldoende was om de wervels te laten vergroeien. Het werd daarom gesuggereerd dat de staartverkorting in een plotse evolutiesprong tot stand had kunnen komen. De beschrijvers zien Zhengheornis als een definitieve weerlegging van deze hypothese.
De geleidelijke verandering heeft de vraag opgeroepen wat het voordeel was van een verkorting. Er had zich nog geen pygostyle gevormd maar de staart was al wel in lengte aan het afnemen, het sterkste van alle soorten in de Jura die nog geen versmelting van de laatste wervels toonden. Zo'n verkorte staart is lichter en verplaatst het zwaartepunt naar voren. Door een minder aantal gewrichten neemt de stijfheid van de staart toe en daarmee ook de stabiliteit. Een kortere staart vermindert ook de hefboomwerking voor een verticale beweging, bij voorbeeld voor de werking van een staartwaaier als een luchtrem, wat ook weer de stabiliteit en manouvreerbaarheid verbetert.
Langwerpige chevrons en gewrichtsuitsteeksels ontbreken; dat maakt de staart juist weer soepeler. In ieder geval gingen deze veranderingen aan de vorming van de pygostyle vooraf.
Literatuur
Categorie:Uitgestorven vogels