Nettie Bromberg (Amsterdam, 20 juli 1920 – Jeruzalem, 17 juni 1990) was een Nederlands kunstschilder, die enige tijd actief is geweest in het Nederlands verzet in de Tweede Wereldoorlog.
Haar ouders waren Constance Metz, afkomstig uit een diamantairsfamilie, en binnenhuisarchitect Paul Bromberg, afkomstig uit de Asjkenazische traditie. Ze was tussen 1950 en 1989 getrouwd met J.H.R. (Huub) Steijns (overleden in 1989), die ook in het verzet had gezeten.
Ze was van plan (deels) in haar vaders voetsporen te treden en volgde na het behalen van de HBS-B privélessen bij leraren van Lagere en Middelbare Technische Scholen; haar vader vond destijds de kunstopleidingen te traditioneel. Ze koos in eerste instantie voor architectuur en nam les bij Pieter Corstiaan Kardol, al dan niet op de scholen waar hij lesgaf. Andere leermeesters waren Alexander Bodon (architectuur), Paul Citroen (tekenen en schilderen), Maurits van Dantzig (schilderen) en Hans Jaffé (kunstgeschiedenis). Ze was kortstondig werkzaam bij het architectenbureau van A. Kramer (1938-1939), en stapte vervolgens over naar de firma van haar vader (1939-1942). Haar vader had in 1940 een korte reis naar de Verenigde Staten voor ogen, maar moest daar tot 1945 blijven.
In 1942 werd het Joden door de Duitse bezetter onmogelijk gemaakt openbaar te werken. Ze was korte periode koerierster van een communistische beweging, net als haar liefde uit die tijd, Jan Bool, maar dat was voor haar gevaarlijk: andere verzetsmensen vonden dat ze een "te Joods uiterlijk" had. De familie (Nettie, haar moeder en haar broer Paul) dook onder in de Achterhoek. Af en toe reisde ze nog naar Amsterdam, waar ze al snel vernam dat Jan Bool was opgepakt. Begin 1943 werd de familie opgepakt op Station Arnhem en naar de Hollandsche Schouwburg gebracht. Daar werden moeder en dochter gered door Ilse Vordebergse-Gildewart (gehuwd met Friedrich Vordemberge-Gildewart) van de Joodsche Raad; Paul werd gered uit de De Joodse Invalide. Ze doken opnieuw onder.
Pas na de Tweede Wereldoorlog kon Bromberg verder met haar loopbaan, waarbij ze weer begon bij haar vader. Al in 1945 kreeg ze de Gerrit van der Veen-medaille. Haar ervaringen tijdens de oorlog bleven een stempel drukken op haar werk; het schilderij waar ze de prijs mee won toonde een eenzame man in een lege wereld na de Holocaust. Ze kon in die jaren nog op studiereis naar Zweden, Italië en Israël. Ondertussen ontwierp ze wanddecoraties voor allerlei privépersonen en bedrijven en hield ze exposities bij allerlei instellingen, waaronder het Anne Frank Huis. Een van haar bekendste portretten was een portret van Albert Einstein dat in het Stedelijk Museum Amsterdam in 1947 schilderij van de week was.
Wat betreft haar levensovertuiging was ze navolger van Benedictus de Spinoza en diens leerling Constantin Brunner. Op latere leeftijd leidde ze een teruggetrokken bestaan in Mesch (Limburg), en hield ze zich niet meer bezig met de commerciële kant van haar werk.
Ze overleed op 70-jarige leeftijd in Jeruzalem, alwaar ze ook begraven werd.
Van haar grote oeuvre is nauwelijks iets openbaar; ongeveer de helft bevindt zich in particuliere verzamelingen, met name portretten. Ze had bepaald dat haar werken na haar dood naar Israël moesten worden gebracht, alwaar ze in Museum of Art, Ein Harod in Haifa, in een permanente tentoonstelling zouden komen. In 1992 besteedde Stichting Eijsden Verleden een uitgebreid periodiek aan haar. Broer Paul Bromberg gaf enige tijd leiding aan de Nettie Bromberg Stichting. Volgens hem heeft Nettie zichzelf geportretteerd in het door hem betitelde Opgepakt. Hij herkende haar erin, omdat ze rond die tijd haar arm gebroken had.
Categorie:Nederlands kunstschilder