De Martinustoren, in het Twents ook bekend als de Oale Toorn (Oude Toren), is een vrijstaande middeleeuwse kerktoren aan het Martinusplein in Losser, in de Nederlandse provincie Overijssel. De toren is het enige bewaard gebleven onderdeel van de voormalige Sint Martinuskerk, die tot de afbraak in 1904 eeuwenlang het religieuze middelpunt van het dorp vormde.

Sinds 4 november 1965 is de toren beschermd als rijksmonument onder monumentnummer 26285. Het bouwwerk behoort tot de belangrijkste historische monumenten van de gemeente Losser en vormt een markant herkenningspunt in het historische dorpscentrum.

Geschiedenis Ontstaan van de parochie De geschiedenis van de Martinustoren hangt nauw samen met die van de Sint Martinusparochie, die tot de oudste parochies van Twente behoort. Over het ontstaan van de parochie is weinig met zekerheid bekend. Volgens de Canon van Losser is zij vermoedelijk voortgekomen uit een kapel die werd bediend vanuit Oldenzaal.

De oudste schriftelijke vermelding van de parochie bevindt zich in een goederenlijst van het kapittel van Sint Pieter te Utrecht, die wordt gedateerd tussen 1298 en 1304. Daaruit blijkt dat Losser aan het einde van de dertiende eeuw reeds een zelfstandige parochie vormde.

De Canon vermeldt dat de oorspronkelijke kerk niet lang daarna werd gebouwd. Over de verschijningsvorm van dit eerste kerkgebouw is weinig bekend. Van de middeleeuwse kerk is tegenwoordig alleen de toren behouden gebleven.

Bouw van de toren Het exacte bouwjaar van de Martinustoren is onbekend. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed dateert het huidige bouwwerk globaal omstreeks 1500, terwijl de Canon van Losser uitgaat van een bouw in de veertiende of vijftiende eeuw. In de literatuur wordt de toren daarom doorgaans als laatmiddeleeuws beschouwd.

De toren is circa 22 meter hoog en is opgetrokken uit baksteen. Voor de plinten en andere constructieve onderdelen is gebruikgemaakt van Bentheimer zandsteen, ook bekend als Gildehauser zandsteen. De fundering rust gedeeltelijk op grote veldkeien.

De Rijksdienst beschrijft het bouwwerk als een vrijstaande zadeldaktoren van omstreeks 1500, bekroond door een zadeldak tussen twee topgevels. Sinds de afbraak van de kerk staat de toren vrij op het huidige Martinusplein.

Volgens de Canon van Losser wijzen de zware bouw en de gesloten opzet van de onderste bouwlagen erop dat de toren mogelijk tevens een verdedigende functie heeft gehad. Hiervoor is in de bouwgeschiedenis echter geen afzonderlijk schriftelijk bewijs overgeleverd.

Na de afbraak van de Sint Martinuskerk in 1904 bleef de toren als enige bovengrondse onderdeel van het voormalige kerkcomplex behouden.

Reformatie en brand van 1665 Aan het einde van de zestiende eeuw veranderde de positie van de Sint Martinuskerk ingrijpend als gevolg van de Tachtigjarige Oorlog. De veldtocht van prins Maurits van Oranje bracht Twente in oktober 1597 onder staatsgezag. Kort daarna werd in Losser de gereformeerde eredienst ingevoerd en kreeg het dorp op 23 mei 1598 zijn eerste predikant.

De kerk bleef aanvankelijk nog door beide geloofsgemeenschappen gebruikt worden. Pas in 1626 kwam zij definitief in handen van de gereformeerden. De rooms-katholieke bevolking was vervolgens aangewezen op schuilkerken en op kerken net over de grens in het huidige Duitsland. Tijdens de inval van de Munsterse prins-bisschop Bernhard van Galen, 'Bommen Berend' op 23 september 1665, brandde de toren af, waarna de bovenste verdiepingen werden vernieuwd en voorzien van een nieuwe kap, waarbij in plaats van de originele trapgevel de toren zijn huidige vorm kreeg met een zadeldak .

Teruggave aan de rooms-katholieken Aan het begin van de negentiende eeuw veranderde de kerkelijke situatie opnieuw. Onder het bestuur van koning Lodewijk Napoleon werd in 1810 bepaald dat de voormalige Sint Martinuskerk zou worden teruggegeven aan de rooms-katholieke gemeenschap. Daarmee kwam een einde aan een periode van bijna twee eeuwen waarin de katholieken hun erediensten buiten de oorspronkelijke parochiekerk hadden moeten houden.

De hervormde gemeente nam vervolgens een nieuw kerkgebouw in gebruik, terwijl de oude Sint Martinuskerk opnieuw het centrum van het rooms-katholieke leven in Losser werd. De kerktoren bleef echter eigendom van de burgerlijke overheid, een situatie die ook na de afbraak van de kerk zou blijven bestaan.

Uitbreidingen van de kerk In de negentiende eeuw groeide de bevolking van Losser aanzienlijk. De middeleeuwse kerk bleek daardoor geleidelijk te klein om alle parochianen te kunnen herbergen. Om aan de groeiende behoefte tegemoet te komen werd het kerkgebouw meerdere malen vergroot. De meest ingrijpende uitbreiding vond plaats in 1887, waarbij het schip van de kerk werd verlengd.

Van deze verbouwing zijn nog altijd sporen zichtbaar. In de oostgevel van de toren zijn zowel de daklijn van de oorspronkelijke middeleeuwse kerk als die van de uitbreiding uit 1887 afleesbaar. Ook de aanzetten van de voormalige gewelven zijn nog duidelijk in het metselwerk herkenbaar.

Bouw van de nieuwe kerk en afbraak van de oude Aan de zuidzijde van het oude kerkterrein werd een nieuwe, aanzienlijk grotere kerk gebouwd: de Heilige Maria Geboortekerk. Na de ingebruikname van dit nieuwe kerkgebouw verloor de middeleeuwse Sint Martinuskerk haar functie als parochiekerk.

In 1904 werd besloten de oude kerk af te breken. De Martinustoren bleef daarbij behouden. Volgens de Canon van Losser was dit mogelijk doordat de toren reeds eigendom van de gemeente was en daardoor buiten de sloopplannen viel.

De toren als herinneringsmonument Na de afbraak van de kerk kwam de toren vrij op het huidige Martinusplein te staan. Om de oorspronkelijke omvang van de kerk zichtbaar te houden, zijn de contouren van het verdwenen gebouw later in de bestrating van het plein aangegeven.

In de twintigste eeuw ontwikkelde de Martinustoren zich steeds meer tot hét historische symbool van Losser. Waar de kerk ooit het religieuze hart van het dorp vormde, groeide de vrijstaande toren uit tot een herkenningspunt dat herinnert aan de middeleeuwse oorsprong van de nederzetting en aan de eeuwenlange kerkgeschiedenis van de gemeenschap.

Monumentale waardering De monumentale waarde van de Martinustoren berust niet uitsluitend op zijn hoge ouderdom, maar ook op zijn betekenis als enige overgebleven onderdeel van een laatmiddeleeuws kerkcomplex. De nog aanwezige bouwsporen, de historische klokkenstoel, het zeventiende-eeuwse uurwerk en de herkenbare relatie met het voormalige kerkterrein maken de toren tot een belangrijk cultuurhistorisch document van de ontwikkeling van Losser.

Deze cultuurhistorische betekenis vormde een belangrijke reden voor de aanwijzing van de toren als rijksmonument op 4 november 1965.

Architectuur Situering De Martinustoren staat op het Martinusplein in het historische centrum van Losser. Sinds de afbraak van de Sint Martinuskerk in 1904 is de toren een vrijstaand bouwwerk. De plaats van het voormalige kerkgebouw is in het plaveisel van het plein gemarkeerd, waardoor de oorspronkelijke omvang van het schip en het koor nog steeds herkenbaar is.

Exterieur De Martinustoren is een sobere, vrijstaande zadeldaktoren, opgetrokken uit baksteen en afgedekt met een zadeldak tussen twee topgevels. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed dateert het huidige bouwwerk globaal omstreeks 1500.

De toren heeft een hoogte van ongeveer 22 meter. Voor de plinten en verschillende constructieve onderdelen is gebruikgemaakt van Bentheimer zandsteen, die afkomstig is uit de omgeving van Bad Bentheim. De fundering rust gedeeltelijk op grote veldkeien, zoals vaker voorkomt bij laatmiddeleeuwse bouwwerken in Twente.

Volgens Monumenten in Nederland – Overijssel bestaat de toren uit drie bouwlagen en wordt hij bekroond door een zadeldak tussen schoudergevels. Bij het herstel na de grote dorpsbrand van 1665 werden het bovenste deel van het metselwerk en de eikenhouten kap vernieuwd.R. Stenvert, C. Kolman en B. Olde Meierink, Monumenten in Nederland. Overijssel, Zeist/Zwolle, 1998, p. 214.

De westzijde bevat de hoofdingang van de toren. De toegangsdeur is opgenomen in een ruim anderhalve meter dikke muur, hetgeen de robuuste constructie van het bouwwerk onderstreept.

Bouwsporen van de verdwenen kerk Een bijzonder kenmerk van de Martinustoren is dat hij nog talrijke sporen draagt van de verdwenen Sint Martinuskerk. In de oostgevel zijn de aanzetten van de voormalige kruisribgewelven zichtbaar, evenals de daklijnen van zowel de oorspronkelijke middeleeuwse kerk als van de uitbreiding die in 1887 werd uitgevoerd.Stenvert e.a., Monumenten in Nederland. Overijssel, p. 214.

Interieur Op de begane grond bevindt zich een kleine permanente expositie over de geschiedenis van de toren en de voormalige Sint Martinuskerk. Hier zijn tevens de restanten zichtbaar van een kruisribgewelf, dat tijdens de restauratie van 1954 werd ontdekt.

Vanuit de begane grond voert een stenen wenteltrap naar de hogere verdiepingen. Op de eerste verdieping bevindt zich de uurwerkzolder. Hier staat de smeedijzeren uurwerkkast met het handgesmede torenuurwerk uit 1666. Tot de restauratie van 1954 beschikte de toren slechts over één uurwijzer. Daarnaast bevinden zich op deze verdieping verschillende historische onderdelen die bij de afbraak van de kerk of tijdens latere restauraties zijn behouden, waaronder de oorspronkelijke uurwijzer, de houten katrollen waarmee de zandstenen uurwerkgewichten werden opgetrokken en het smeedijzeren kruis met windvaan dat vóór 1904 op de nok van de kerk stond.

De vloer van zowel de uurwerkzolder als de klokkenzolder bestaat uit een zogenoemde roosterzolder, waarbij openingen tussen de vloerplanken zijn aangebracht. Hierdoor kunnen de trillingen van de luidende klokken gemakkelijker worden afgevoerd en wordt de klank minder door de constructie gedempt.

Klokken en uurwerk Het torenuurwerk dateert uit 1666 en behoort tot de oudste nog werkende mechanische uurwerken in de regio. Het handgesmede uurwerk wordt nog steeds gebruikt voor de aandrijving van de torenklok.

De klokkenstoel bevat een gelui van drie luidklokken. Volgens het monumentenregister van de Rijksdienst zijn twee klokken gegoten door de Elzasser klokkengieter Jan Fremy in 1666 en 1671. De derde klok is afkomstig van een anonieme gieter, maar wordt eveneens aan Fremy toegeschreven en gedateerd op 1666 of 1667.

De Canon van Losser vermeldt dat de oorspronkelijke brandklok uit 1666 en de kinderklok uit 1667 inmiddels zijn vervangen door replica's. De originele klokken worden bewaard in het gemeentehuis van Losser. De middagklok uit 1667 is nog dagelijks in gebruik.

De afwijkende datering van een van de klokken in de verschillende bronnen houdt verband met latere herstellingen en opschriften op de klok, waardoor in de literatuur zowel 1667 als 1671 wordt vermeld.

Bronnen ↑ Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. "Monumentkenmerken 26285". Geraadpleegd op 12 juli 2026. ↑ Rijksmonumenten.nl. "Martinustoren, Losser". Geraadpleegd op 12 juli 2026. ↑ Relikwi.nl "Losser, Martinusplein 1 - Martinustoren". Geraadpleegd op 12 juli 2026.

Literatuur Stenvert, R., Kolman, C., Olde Meierink, B. e.a. Monumenten in Nederland. Overijssel. Zeist/Zwolle: Rijksdienst voor de Monumentenzorg / Waanders Uitgevers, 1998. Historische Kring Losser, Kroniek van Dorp en Marke Losser, pp45-48, hoofdstuk 10. "De oude toren, kerkelijk en wereldlijk beeldmerk van Losser in Nederland". Losser: Stichting Historische Kring Losser, 2019. .

Categorie:Rijksmonument in Losser