thumb|IVT thumb|RIVRO

Het rassenonderzoek van groentegewassen is begonnen in 1889 bij de oprichting van de Proeftuin Westland. In 1900 werden al meerdere rassenvergelijkingen gedaan met meloenen, komkommers en tomaten.

In de jaren dertig van de twintigste eeuw werden bij het Instituut voor de Veredeling van Tuinbouwgewassen (IVT) in Wageningen ook rassenproeven uitgevoerd. Er werden vergelijkende rassenproeven uitgevoerd met verschillende groentegewassen voor het bepalen van de opbrengst, kwaliteit, uniformiteit en ziekteresistentie. Naast het IVT werden de rassen beproefd op gespecialiseerde proefstations, zodat de prestaties onder praktijkomstandigheden konden worden beoordeeld. Het Proefstation voor de Groenteteelt in de Vollegrond in Alkmaar en Lelystad voerden samen met de regionale proeftuinen later deze onderzoeken uit. Vanaf 1985 werd het onderzoek aan vollegrondsgroenten alleen nog uitgevoerd door het PAGV in Lelystad en de regionale proeftuinen, waarbij de meeste proeven werden beoordeeld door gewasbeoordelingscommissies en het Proefstation voor Groente en Fruit onder Glas (Naaldwijk) voerde het onderzoek uit voor de glasgroenten, waarbij de meeste rassenproeven bij de glastuinders werden geplaatst en deze proeven werden ook beoordeeld door gewasbeoordelingscommissies. Een gewasbeoordelingscomissie bestond uit een medewerker van het proefstation, vertegenwoordigers van de kweekbedrijven, de telers, afzetorganisaties, verwerkende industrie, het CPRO-DLO en Nakgroente (NAKG). Bij erwten en augurken werd het rassenonderzoek naar de geschiktheid voor conserven en smaaktesten uitgevoerd door het Instituut voor Bewaring en Verwerking van Landbouwprodukten (IBVL).

Het rassenonderzoek van uien werd gedaan door De Stichting Nederlandse Uien-Federatie (SNUiF), dat in 1938 werd opgericht. In 1990 werd het onderzoek geïntegreerd in het CPRO en de praktijkonderzoeksinstellingen.

Het rassenonderzoek van champignons werd uitgevoerd door het Proefstation voor de Champignoncultuur, dat in 1963 in Horst (Limburg) werd opgericht en dat later is opgegaan in het Praktijkonderzoek Plant & Omgeving (PPO).

Proeftuinen en onderzoekslocaties waar nu nog rassenonderzoek van groentegewassen wordt uitgevoerd zijn Delphy Improvement Centre (Bleiswijk) (glasgroenten), Delphy Onderzoekslocatie Vredepeel (Limburg) (vollegrondsgroenten), Vertify (Zwaagdijk en andere locaties) een onafhankelijk onderzoeksbedrijf dat voor zaadbedrijven en telers rassenonderzoek uitvoert en Proeftuin Zwaagdijk (Noord-Holland) (vollegrondsgroenten).

In 1943 werd op wettelijke basis de officiële beschrijvende rassenlijst voor groentegewassen gepubliceerd. Deze bevatte beschrijvingen en aanbevelingen van de belangrijkste groenterassen voor de Nederlandse tuinbouw. Vanaf 1967 werd de rassenlijst samengesteld door de Commissie voor de Samenstelling van de Rassenlijst voor Groentegewassen (CRG), ingesteld krachtens het Besluit Aanbevelende Rassenlijst Groentegewassen.https://wetten.overheid.nl/BWBR0002580/1978-02-01 Vanaf 1979 werd de rassenlijst gesplitst in afzonderlijke delen voor vollegrondsgroenten en glasgroenten, omdat het aantal gewassen en rassen sterk was toegenomen.

In 1942 werd het I.V.R.O. (Instituut voor Rassenonderzoek van Landbouwgewassen) opgericht dat voortgekomen is uit het het Instituut voor Plantenveredeling (1912), de instelling van een officiële beschrijvende rassenlijst voor landbouwgewassen (1924) uitgegeven door het Instituut voor Plantenveredeling in Wageningen, de keuring van zaaigoed en pootgoed (1903), de oprichting van de centrale keuringsdienst NAK (1932) en het Kwekersbesluit 1941 waarin het eigendomsrecht van de kweker op zijn kweekproducten werd geregeld. In 1991 heeft het RIVRO het pand verlaten en werd het rassenonderzoek ondergebracht bij het CPRO-DLO (Centrum voor Plantenveredelings- en Reproductieonderzoek).

Op 1 september 1994 werd het Communautair Bureau voor Plantenrassen (CPVO) voor Europees kwekersrecht opgericht en ving zijn werkzaamheden aan op 27 april 1995.CPVO Officiële website

Het RIVRO (Rijksinstituut voor Rassenonderzoek van Cultuurgewassen) ontstond in 1977 door samenvoeging van het rassenonderzoek van landbouwgewassen met dat van tuinbouwgewassen, waarbij het onderzoek werd gecoordineerd door het RIVRO en uitgevoerd door de Proefstations. Om alle medewerkers te kunnen huisvesten werd aan een zijden van het hoofdgebouw barakken geplaatst.RIVRO beschrijving taken en onderzoek De wetgeving waar het RIVRO nu zijn werkzaamheden aan ontleende dateerde van 1967 toen de Zaaizaad-en Plantgoed wetZaaizaad en plantgoedwet tot stand kwam en verviel het Kweekersbesluit van 1941. De Zaaizaad-en Plantgoedwet van 1967 was noodzakelijk geworden nadat bij Conventie van Parijs in 1961 door een aantal landen was besloten gezamenlijk nieuwe regelingen te treffen aangaande de rechtspositie van de kweker van een nieuw ras en de UPOV (Union Internationale pour la Protection des Obtentions Végétales) werd gevormd. De wet werd aangepast toen in Brussel de toelating van rassen en het verkeer met teeltmateriaal binnen de EEG volgens nieuwe richtlijnen werd geregeld.

Het CRZ (Centrum voor Rassenonderzoek en Zaadtechnologie) ontstond in 1990 door het samenvoegen van het RIVRO met het RPVZ (Rijksproefstation voor Zaadonderzoek).Rijksproefstation voor Zaadcontrole en taakvoorgangers, Gelders Archief Om alle medewerkers te kunnen huisvesten werd aan nog een zijden van het hoofdgebouw barakken geplaatst.

Het CRZ is op 1 juni 1991 samengegaan met het Centrum voor Plantenveredelingsonderzoek (CPO), waarbij het CPRO-DLO (Centrum voor Plantenveredelings- en Reproduktieonderzoek) ontstond.

Het secretariaat van alle beschrijvende rassenlijsten was gevestigd in het RIVRO, later in het CRZ, vervolgens in het CPRO-DLO en thans bij de Raad voor plantenrassen met ondersteuning van de Naktuinbouw

Op 1 februari 2006 werd de Raad voor plantenrassen opgericht. Deze raad laat ondermeer landbouwrassen, groentegewassen en rassen en opstanden van bosbouwgewassen tot het verkeer toe.https://www.raadvoorplantenrassen.nl/nl/over-de-raad/dienstverlening-en-taken/

In 2006 werd het registratieonderzoek ondergebracht bij de Naktuinbouw naar aanleiding van de ingang van de nieuwe Zaaizaad- en plantgoedwet 2005,Raad voor plantenrassen. Verslag ex artikel 39 Kaderwet zelfstandige bestuursorganenZaaizaad- en plantgoedwet 2005Datum inwerkingtreding ZPW 2005

Door de EU is in 2004 een beproevingszaadregeling in het leven geroepen, waardoor teeltmateriaal van rassen die nog niet officieel zijn toegelaten in de handel kunnen worden gebracht. Het doel van deze regeling is om met het nieuwe ras ervaring in de praktijk op te doen. De duur van de toelating is één jaar en kan maximaal twee keer met een jaar verlengd worden.Beproevingszaadregeling EU

Met de komst van de nieuwe Zaaizaad- en Plantgoedwet in 2006 is deze commissie voor de samenstelling van de rassenlijst voor groentegewassen ontbonden en werd de rassenlijst van groentegewassen stopgezet.

Botanisch rassenonderzoek Het botanisch rassenonderzoek wordt gedaan ten behoeve van de registratie van rassen door de Raad voor plantenrassen met of zonder kwekersrecht. Onderzoek vindt plaats naar onderscheid, homogeniteit en bestendigheid (stabiliteit) (DUS). Het onderscheid moet voldoende zijn rekening houdend met de vermeerdering van het gewas waartoe het ras behoort. De bestendigheid heeft betrekking op de wezenlijke eigenschappen van het ras.

Het CPVO ontwikkelde eigen protocols voor het botanisch onderzoek.Technische protocols CPVOTechnisch protocol maize als voorbeeld Het CPVO en de Nederlandse Raad voor plantenrassen hebben samen een geharmoniseerd aanvraagformulier ontwikkeld dat vanaf 30 juni 20026 beschikbaar is.

Cultuurwaardeonderzoek Bij het cultuurwaardeonderzoek wordt onderzocht of een ras voldoende cultuur- en gebruikswaarde heeft om op de rassenlijst van groentegewassen te worden geplaatst, die voor het laatst in 2005 verscheen.

Rubricering rassen op de rassenlijst De rassen zijn in A, B, O en N. A = Hoofdras; ras dat voor algemene of vrij algemene teelt in aanmerking komt. B = Beperkt aanbevolen ras; ras dat voor speciale omstandigheden of voor beperkte teelt aanbevolen wordt. O = Ras dat van geringe betekenis wordt geacht. N = Nieuw ras; ras dat beproevenswaardig bleek te zijn.

De rubricering van de rassen naar teeltwijze werd vermeld in een rassentabel.

Zie ook Gemeenschappelijke rassenlijst voor groentegewassen

Externe links Eerste Rassenlijst van Groentegewassen Negende Rassenlijst van Groentegewassen 22ste Rassenlijst van Groentegewassen 36ste Rassenlijst van Groentegewassen, vollegrondsgroenten 34ste Rassenlijst van Groentegewassen, glasgroenten

Categorie:Plantenras