Schwarzheide was een buitencommando van het concentratiekamp Sachsenhausen. Het bevond zich ongeveer een kilometer ten noordoosten van de stad Schwarzheide, tussen de Schipkauer Straße en de snelweg A13, ter hoogte van de huidige verffabriek van BASF Schwarzheide GmbH.

Beschrijving Het nevenkamp Schwarzheide was operationeel van 5 juli 1944 tot 16 april 1945. Voordat het als concentratiekamp werd ingericht, deed het terrein eerst dienst als locatie voor een eenheid van de Duitse Schutzpolizei en later als krijgsgevangenenkamp voor Italiaanse militairen. Het kamp bestond uit ongeveer tien houten barakken, gelegen in een dennenbos op circa 100 meter afstand van een hydrogeneringsinstallatie van Braunkohle-Benzin-AG (BRABAG). Dit bedrijf werd in 1934 opgericht op initiatief van het Rijksministerie van Economische Zaken, waarbij de kolen- en minerale olie-industrie verplicht werden deel te nemen. De installatie zette bruinkool via het Fischer-Tropsch-proces om in synthetische benzine, diesel en vooral hoog-octaan vliegtuigbrandstof. Deze productie maakte deel uit van het zogenoemde Mineralölsicherungsplan (Minerale Olie Zekerheidsplan), dat werd ingevoerd nadat de geallieerden de Duitse brandstofindustrie vanuit de lucht waren gaan aanvallen. Volgens Fritz Kranefuss, lid van de raad van bestuur van BRABAG, bestonden er eind 1943 al plannen om concentratiekampgevangenen als dwangarbeiders in de hydrogeneringsinstallaties in te zetten.

In juni 1944 hief de SS het zogenoemde "Theresienstadt Familiekamp" in Auschwitz II-Birkenau op. Enkele duizenden mannen en vrouwen jonger dan veertig jaar werden geselecteerd voor dwangarbeid, terwijl de overige circa 10.000 gevangenen – voornamelijk oudere mannen, vrouwen en kinderen onder de zestien jaar – in de gaskamers werden vermoord. Ongeveer 1.000 Tsjechoslowaakse Joden werden vervolgens in goederenwagons naar Schwarzheide gedeporteerd, waar het transport op 1 of 3 juli 1944 arriveerde.

De SS-kampcommandant en verschillende SS-bewakers stonden bekend om hun uitzonderlijke wreedheid. Zo werd een kapo door een SS'er doodgeschoten nadat hij was opgekomen voor een uitgeputte medegevangene. Een andere gevangene verloor het leven toen een SS'er hem doodsloeg omdat hij een sigarettenpeuk van de grond had opgeraapt. De gevangenen werkten in ploegendiensten van twaalf uur, waarbij zij hooguit een half uur pauze kregen. Hun werkzaamheden bestonden niet alleen uit het opruimen van puin na geallieerde bombardementen, maar ook uit het laden en lossen van vrachtwagens en zelfs het onschadelijk maken van niet-ontplofte bommen. Daarnaast liepen de gevangenen voortdurend gevaar door de geallieerde luchtaanvallen. Luchtfoto's die de RAF begin maart 1945 van het kamp maakte, tonen aan dat men tijdens de bombardementen probeerde het kamp zoveel mogelijk te ontzien. Desondanks werd het kamp eenmaal getroffen.

De medische zorg in het kamp was uiterst gebrekkig. De Joodse kamparts Herbert Lewin, die van oorsprong gynaecoloog was, verklaarde na de oorlog dat hij bij gebrek aan medische voorzieningen amputaties moest uitvoeren met een gedesinfecteerde houtzaag. Omdat verdovingsmiddelen ontbraken, moesten patiënten tijdens deze ingrepen met geweld worden vastgehouden.

Op 7 maart 1945 werden ongeveer 300 Joodse gevangenen die niet langer in staat waren te werken, overgebracht naar het concentratiekamp Sachsenhausen. Zij werden vervangen door circa 300 nieuwe gevangenen uit Sachsenhausen. Deze groep bestond voornamelijk uit niet-Joodse mannen uit de Sovjet-Unie, Polen, Frankrijk, Oostenrijk, Nederland en Duitsland, onder wie zich ook veel verzetsstrijders bevonden. Op 23 maart 1945 vertrok opnieuw een transport: via Ruhland werden 300 gevangenen gedeporteerd naar het vernietigingskamp Bergen-Belsen.

Dodenmars In april 1945, toen het Derde Rijk op instorten stond en de geallieerden naderden, werd het kamp ontruimd. Ongeveer 600 overlevenden moesten te voet vertrekken richting het getto van Theresienstadt. Veertig gevangenen die niet meer konden lopen, werden op 17 april 1945 in twee bussen naar Sachsenhausen gebracht, waar ze vervolgens alsnog met een dodentransport werden meegestuurd. Een gevangene bleef achter in de ziekenboeg van Sachsenhausen en werd op 22 april door het Rode Leger bevrijd.

Voor de achtergebleven gevangenen, zowel Joden als niet-Joden, begon op 18 april 1945 een dodenmars. De route voerde via Kamenz, Sebnitz en het bergachtige gebied van de Sächsische Schweiz. Tijdens deze mars kwamen ongeveer tachtig gevangenen om het leven, hetzij door uitputting, hetzij doordat SS'ers gevangenen doodschoten die probeerden te ontsnappen of niet langer in staat waren verder te lopen. Op 18 april werden de Joodse en niet-Joodse gevangenen in Varnsdorf van elkaar gescheiden. De niet-Joodse groep marcheerde via Haida (Nový Bor) naar Langenau (Skalice), waar ze op 9 mei 1945 werd bevrijd door partizanen.

De Joodse gevangenen werden in open vrachtwagens naar Česká Lípa vervoerd. Tijdens deze rit kwamen zeventien gevangenen om het leven als gevolg van uithongering, aangezien er gedurende het transport geen voedsel werd verstrekt. Enkele gevangenen waren bovendien zo verzwakt dat zij verdronken in het regenwater dat zich in de open laadbakken had verzameld. De overlevenden werden daarna gedwongen de laatste etappe van Litoměřice naar Theresienstadt te voet af te leggen.

De gevangenen bereikten Theresienstadt op 7 mei 1945. Van de Joodse gevangenen arriveerden tussen de 240 en 252 personen levend. Ongeveer twintig van hen overleden echter alsnog kort na aankomst als gevolg van de ontberingen die zij hadden doorstaan. Op 9 mei 1945 werd het kamp Theresienstadt door het Rode Leger bevrijd. Ook na de bevrijding bezweken nog drie voormalige gevangenen aan de gevolgen van hun uitputting en ontberingen.

Categorie:Dwangarbeid tijdens de Tweede Wereldoorlog Categorie:Naziconcentratiekamp in Duitsland Categorie:Geschiedenis van Brandenburg