Het rassenonderzoek van fruitgewassen begon in de eerste helft van de 20e eeuw. In 1901 werd de Vereeniging Zeeland’s Proeftuin te Wilhelminadorp opgericht, waar aanvankelijk groenten werden beproefd. In 1903 werd overgegaan op fruitgewassen. In 1954 kreeg de proeftuin de status van Landelijk Proefstation voor de Fruitteelt in de Volle Grond en werd de Vereeniging omgezet in de Stichting tot Exploitatie van het Proefstation voor de Fruitteelt in de volle grond in Nederland.Inventaris van het archief van de Stichting Proefstation voor de Fruitteelt met voorganger Vereeniging Zeeland’s Proeftuin te Wilhelminadorp 1901-2000 met foto Proefstation
De rijkstuinbouwconsulenten voor de veredeling van tuinbouwgewassen coördineerden vóór de oprichting van het Instituut voor de Veredeling van Tuinbouwgewassen (IVT) het rassenonderzoek. Het IVT werd in 1941 als stichting opgericht en begon zijn werkzaamheden in 1943 in Wageningen. Het IVT deed tot in de jaren zestig van de twintigste eeuw onder meer rassenonderzoek van fruitgewassen. Vanaf 1940 tot 1967 werden door de voorlopers van het IVT en het IVT 1780 appelrassen, 662 perenrassen, 510 pruimenrassen en 1280 kersenrassen onderzochtIng P.D. Goddrie, Rassenwijzer Groot Fruit, 25 jaar onderzoek in het kort. Mededeling 23, december 1996, , NUGI 835 en vele kleinfruitrassen.
Het Proefstation voor de Fruitteelt werd in 1957 opgericht in Wilhelminadorp en deed ook rassenonderzoek van fruitgewassen en onderstammen.
In 1977 werd het onderzoek ondergebracht bij het in dat jaar opgerichte RIVRO (Rijksinstituut voor Rassenonderzoek van Cultuurgewassen), dat ontstond door samenvoeging van het rassenonderzoek van landbouwgewassen met dat van tuinbouwgewassen,RIVRO beschrijving taken en onderzoek waarbij de RIVRO-onderzoeker gedetacheerd werd bij het Proefstation. De wetgeving waar het RIVRO nu zijn werkzaamheden aan ontleende dateerde van 1967 toen de Zaaizaad-en Plantgoed wetZaaizaad en plantgoedwet tot stand kwam en verviel het Kweekersbesluit van 1941. De Zaaizaad-en Plantgoedwet van 1967 was noodzakelijk geworden nadat bij Conventie van Parijs in 1961 door een aantal landen was besloten gezamenlijk nieuwe regelingen te treffen aangaande de rechtspositie van de kweker van een nieuw ras en de UPOV (Union Internationale pour la Protection des Obtentions Végétales) werd gevormd. De wet werd aangepast toen in Brussel de toelating van rassen en het verkeer met teeltmateriaal binnen de EEG volgens nieuwe richtlijnen werd geregeld.
Het CRZ is op 1 juni 1991 samengegaan met het Centrum voor Plantenveredelingsonderzoek (CPO), waarbij het CPRO-DLO (Centrum voor Plantenveredelings- en Reproduktieonderzoek) ontstond.
Het CRZ is op 1 juni 1991 samengegaan met het Centrum voor Plantenveredelingsonderzoek (CPO), waarbij het CPRO-DLO (Centrum voor Plantenveredelings- en Reproduktieonderzoek) ontstond.
In 1995 is het fruitteeltpraktijkonderzoek geconcentreerd op de nieuwe locatie in Randwijk. In 1997 wordt de Stichting Fruitteeltpraktijkonderzoek (FPO) opgericht door de fusie van de fruitteeltproeftuinen in Geldermalsen, Horst, Numansdorp en Zeewolde. In 1998 wordt Randwijk het landelijke centrum voor praktijkonderzoek in de fruitteelt en in 2000 wordt het FPO onderdeel van Praktijkonderzoek Plant & Omgeving (PPO), dat in 2016 opgaat in Wageningen Plant Research (WUR). Het onderzoek vanaf 2017 gebeurt door Fruit Research Centre (FRC) RandwijkFruit Research Centre (FRC) Randwijk, een samenwerking van WURWUR in Randwijk, Nederlandse Fruittelers Organisatie (NFO)NFO, Fruitconsult, Centrale Adviesdienst Fruitteelt (CAF)Centrale Adviesdienst Fruitteelt en Delphy (digitalisering).
Sinds 2017 worden de resultaten van het rassenonderzoek gerapporteerd in de onderzoeksrapporten van het FRC.
Onderzoek Grootfruit Vanaf 1970 werd in Wilhelminadorp begonnen met een eerste toetsing op kleine schaal van grootfruitrassen, 10 bomen per ras. Voor deze proeven werd van over de gehele wereld enthout van nieuwe rassen opgevraagd. De meest belovende rassen werden vervolgens in de landelijke proeven van de regionale fruitteeltproeftuinen opgeplant. Bij deze proeven werd vooral gelet op de eetkwaliteit. Het IVT hield zich vanaf 1970 alleen nog bezig met de veredeling.
De nieuwe aardbeirassen, voornamelijk afkomstig van het IVT, werden landelijk beproefd op de regionale tuinbouwproeftuinen. De vegetatief vermeerderdering van deze rassen voor de proeven vond centraal op een proeftuin plaats en later alleen op de proeftuin in Horst, Limburg.
Kleinfruit Het gebruikswaardeonderzoek bij kleinfruit kent ook een eerste en een tweede (landelijke) beoordelingsfase. Voor de houtige kleinfruitgewassen komen de meeste nieuwe rassen uit het buitenland. Er werd steeds een eerste beoordeling uitgevoerd door het PFW in Wilhelminadorp en vanaf 1995 door het Praktijkonderzoek Plant & Omgeving (PPO), daarna door het FPO in Randwijk en ten slotte door het FRC in RandwijkHoutig Kleinfruit Centrum (HKC) in Randwijk. In overleg met het bedrijfsleven worden eenvoudige proeven aangelegd op commerciële bedrijven. Een uitzondering hierop vormen de blauwe bes. Zowel de eerste als tweede beoordeling van nieuwe blauwe bessenrassen vinden plaats in Horst, Limburg.
Rassenlijst Eerste beschrijvende rassenlijst voor fruitgewassen De eerste beschrijvende rassenlijst voor fruitgewassen werd uitgegeven in 1933 door de Nederlandschen Algemeenen Keuringsdienst te Breda.BESCHRIJVENDE RASSENLIJST VOOR FRUIT 1933 De Regelingscommissie voor de Tuinbouwkeuringen stelde deze rassenlijst samen. Er worden 4 groepen rassen onderscheiden: A, B, C en D. A zijn de meer algemeen aanbevolen verscheidenheden, B verdienen geen algemeene of voorwaardelijk aanbeveling n.l. voor bestuiving of in handen van 'bijzonder ervaren tuinders, C zijn de nieuwe en minder bekende variëteiten. Zij gaan na verdere observatie hetzij naar A of B of naar de zwarte lijst D, D is de lijst der onbruikbare rassen.
Latere uitgaven De vijfde beschrijvende rassenlijst voor fruit werd daarna door het IVT uitgegeven in 1943. Hiervoor werden ze door de NAK uitgegeven. De 15e rassenlijst fruit werd in 1975 uitgegeven door het PFW. Vanaf 1977 werd de rassenlijst uitgegeven door het RIVRO. In 1999 werd de rassenlijst gesplitst in een deel groot fruit en een deel kleinfruit.7de Beschrijvende rassenlijst voor fruit 195414e Rassenlijst voor fruitgewassen 196918e Rassenlijst voor Fruitgewassen 199219e Rassenlijst Klein Fruit 1999
De 19e rassenlijst voor fruitgewassen werd samengesteld onder verantwoordelijkheid van de Commissie voor de Samenstelling van Fruitgewassen (CRF). Deze commissie was ingesteld bij Koninklijk Besluit van 10 mei 1967.Besluit Aanbevelende Rassenlijst Fruitgewassen De inrichting was geregeld door de Regeling inrichting Rassenlijst Fruitgewassen van 18 mei 1967.Regeling inrichting Rassenlijst Fruitgewassen De praktische uitvoering van de samenstelling was in handen gelegd van de redactieraad.
Bij de 19e rassenlijst worden ook 4 groepen onderscheiden: A hoofdras, B beperkt aanbevolen ras, O ras dat van geringe betekenis wordt geacht, N nieuw ras of reeds bekend ras waarvan onvoldoede ervaring bestaat
Met de komst van de nieuwe Zaaizaad- en Plantgoedwet in 2005 Zaaizaad- en plantgoedwet 2005In werking treding Zaaizaad- en Plantgoedwet 2005 is de commissie voor de samenstelling van de rassenlijst voor fruitgewassen ontbonden en werd de rassenlijst van fruitgewassen stopgezet.
Botanisch rassenonderzoek Het botanisch rassenonderzoek wordt gedaan ten behoeve van de registratie van rassen door de Raad voor plantenrassen met of zonder kwekersrecht. Onderzoek vindt plaats naar onderscheid, homogeniteit en bestendigheid (stabiliteit) (DUS). Het onderscheid moet voldoende zijn rekening houdend met de vermeerdering van het gewas waartoe het ras behoort. De bestendigheid heeft betrekking op de wezenlijke eigenschappen van het ras.
Het CPVO ontwikkelde eigen protocols voor het botanisch onderzoek.Technische protocols CPVO Het CPVO en de Nederlandse Raad voor plantenrassen hebben samen een geharmoniseerd aanvraagformulier ontwikkeld dat vanaf 30 juni 20026 beschikbaar is.
Nationaal rassenregister De fruitrassen zijn opgenomen in het Nationaal rassenregister.Nationaal rassenregister
Clubras Het concept van clubrassen ontstond in de jaren 1990. Tegenwoordig behoort een aanzienlijk deel van de nieuw geïntroduceerde appelrassen tot een clubsysteem. Pink Lady is een voorbeeld van een clubras, dat op 16 oktober 2019 kwekersrecht kreeg. Junami is een ander voorbeeld evenals Kanzi.
Een clubras is een appel- of perenras waarvan de teelt, vermeerdering, afzet en marketing worden gecontroleerd door een organisatie of een samenwerkingsverband. Alleen telers die een licentie hebben en aan bepaalde voorwaarden voldoen, mogen het ras telen. Hierdoor wordt het aanbod beperkt en krijgt de teler een betere prijs. Een clubras verschilt van een vrij ras, dat door iedere teler mag worden geteeld mits licentiekosten bij een ras met kwekersrecht zijn betaald of zodra het kwekersrecht is verlopen of als het ras vrij beschikbaar is. Elstar en Jonagold zijn voorbeelden van vrije rassen.
Categorie:Plantenras