In de rabbijnse en latere Joodse literatuur komen passages voor die met Jezus van Nazareth in verband worden gebracht. De belangrijkste staan in de Tosefta, de Jeruzalemse Talmoed, de Babylonische Talmoed, enkele midrasjim en latere werken als Toledot Yeshu en de geschriften van Maimonides.Peter Schäfer, Jesus in the Talmud, Princeton University Press, 2007, p. 1–14; Adiel Schremer, Brothers Estranged: Heresy, Christianity, and Jewish Identity in Late Antiquity, Oxford University Press, 2010, p. 52–86; Michael Meerson en Peter Schäfer (red.), Toledot Yeshu: The Life Story of Jesus, 2 delen, Mohr Siebeck, 2014; Maimonides, Mishneh Torah, Hilchot Melachim 11:4.

De identificatie is niet in alle gevallen even zeker. Sommige passages noemen expliciet “Jezus de Nazarener”, terwijl andere spreken over Yeshu, Jezus ben Pandera, Ben Stada of anonieme ketters.Peter Schäfer, Jesus in the Talmud, Princeton University Press, 2007, p. 15–24, 48–74 en 95–129.

De verhalen zijn overweldigend negatief en anti-christelijk. Ze beweren onder andere dat: Jezus wordt gekookt in uitwerpselen in het hiernamaals. Jezus een tovenaar en misleider was. Zijn moeder, Maria, verkracht werd door de Romein Pandera en hij daaruit geboren werd. Hij niet na 3 dagen opstond, maar zijn lichaam bewust werd verborgen.Peter Schäfer, Jesus in the Talmud, Princeton University Press, 2007, p. 8–14, 63–74, 82–94 en 118–129. Schäfer omschrijft de Babylonisch-Talmoedische passages als polemische tegenverhalen waarmee rabbijnen christelijke uitspraken over Jezus bestreden en omkeerden. Zie ook Jesus in the Talmud, digitale uitgave bij JSTOR.

Deze geschriften maken deel uit van de lange geschiedenis van polemiek tussen Joden en christenen. Historici benadrukken dat het jodendom zich in de late oudheid mede ontwikkelde in wisselwerking en conflict met het christendom. Door hun late en polemische karakter zijn deze teksten niet of beperkt bruikbaar als historische bron over het leven van Jezus.

In de middeleeuwen werden dergelijke passages aangevoerd als rechtvaardiging voor de censuur en verbranding van de Talmoed, onder meer door de pauselijke bul Si vera sunt.

Expliciete verwijzingen in de Babylonische Talmoed In de Babylonische Talmoed wordt Jezus expliciet genoemd. Peter Schäfer beoordeelt deze passages als directe rabbijnse overleveringen.Peter Schäfer, Jesus in the Talmud, Princeton University Press, 2007, met name p. 25–33, 41–51, 63–94 en de appendix „Bavli Manuscripts and Censorship”, p. 131–143. Pieter W. van der Horst komt tot dezelfde conclusie en acht een latere toevoeging onhoudbaar.

Executie op de vooravond van Pesach Een van de duidelijkste passages is Sanhedrin 43a. De passage luidt in vertaling:

“Op de vooravond van Pesach hingen zij Jezus de Nazarener.”Babylonische Talmoed, Sanhedrin 43a.

Jezus wordt beschuldigd van tovenarij, het aanzetten tot afgoderij en het misleiden van Israël. Volgens de vertelling ging gedurende veertig dagen een heraut rond die opriep om eventueel ontlastend bewijs naar voren te brengen. Omdat niemand een succesvolle verdediging zou hebben aangevoerd, werd Jezus geëxecuteerd.

De tekst verklaart vervolgens waarom Jezus volgens de rabbijnen zoveel gelegenheid kreeg om zich te verdedigen:

“Jezus was anders, want hij stond dicht bij de overheid.”Babylonische Talmoed, Sanhedrin 43a.

Dezelfde passage noemt vijf leerlingen van Jezus:

“Mattai, Nakai, Netzer, Buni en Toda.”Babylonische Talmoed, Sanhedrin 43a.

Ieder van deze leerlingen verdedigt zich in het verhaal met een Bijbeltekst waarin zijn naam of een gelijkluidend Hebreeuws woord voorkomt. De rechters antwoorden telkens met een andere tekst die als rechtvaardiging voor zijn executie wordt gebruikt.

Het verhaal wijkt historisch af van de evangeliën, waarin Jezus op bevel van de Romeinse prefect Pontius Pilatus door Romeinse soldaten wordt gekruisigd. De combinatie van de naam “Jezus de Nazarener”, de executie rond Pesach, de beschuldiging van tovenarij en het bestaan van leerlingen maakt het echter waarschijnlijk dat de passage een rabbijnse voorstelling van Jezus van Nazareth bevat.Peter Schäfer, Jesus in the Talmud, Princeton University Press, 2007, in het bijzonder de appendix “Bavli Manuscripts and Censorship”. Zie ook de digitale uitgave bij JSTOR.

Straf in kokende uitwerpselen In Gittin 57a, roept Onkelos door middel van dodenbezwering achtereenvolgens Titus, Bileam en Jezus op.

Jezus antwoordt op de vraag wie in de andere wereld het belangrijkste volk is:

“Israël.”

Wanneer Onkelos vraagt of hij zich bij Israël moet aansluiten, antwoordt Jezus:

“Zoek hun welzijn en zoek hun ongeluk niet.”Babylonische Talmoed, Gittin 57a.

Vervolgens vraagt Onkelos welke straf Jezus in het hiernamaals ondergaat:

“Hij wordt gestraft in kokende uitwerpselen.”Babylonische Talmoed, Gittin 57a.

Deze straf wordt in de passage verbonden met het bespotten van de woorden van de rabbijnse wijzen. De passage eindigt met een vergelijking tussen Bileam en Jezus. Bileam wenste Israël kwaad toe, terwijl Jezus, hoewel hij als een “zondaar van Israël” wordt beschouwd, het welzijn van Israël zou hebben gezocht.

Volgens Peter Schäfer keert dit verhaal de christelijke leer over Jezus’ opstanding en verheffing om. Jezus leeft niet als opgestane Messias bij God, maar wordt als veroordeelde zondaar in het hiernamaals gestraft.

Een leerling die een uitspraak van Jezus doorgeeft In Avodah Zarah 16b–17a, vertelt rabbi Eliëzer over een ontmoeting met Jakob van Kefar Sekhania:

“Ik trof iemand uit de leerlingen van Jezus de Nazarener, Jakob van Kefar Sekhania.”Babylonische Talmoed, Avodah Zarah 17a.

Jakob vraagt of geld dat afkomstig is uit prostitutie gebruikt mag worden om een toilet voor de hogepriester te bouwen. Vervolgens geeft hij een uitspraak door die hij aan Jezus toeschrijft:

“Uit vuil kwam het voort en naar een plaats van vuil zal het gaan.”

Rabbi Eliëzer verklaart dat deze uitleg hem beviel. Hij beschouwde dit later als de reden waarom hij door de overheid van ketterij werd verdacht.

De passage is opvallend omdat Jezus niet alleen als wonderdoener of misleider wordt voorgesteld, maar ook als leraar die de Thora uitlegt en leerlingen heeft die zijn uitspraken doorgeven.

Betwiste verwijzingen

Genezing in de naam van Jezus ben Pandera Een van de vroegste rabbijnse tradities over volgelingen van Jezus staat in de Tosefta, een verzameling rabbijnse tradities die naast de Misjna werd overgeleverd.

In Tosefta Chullin 2:22–24, in sommige digitale nummeringen 2:2 en 2:6, wordt verteld dat Eleazar ben Dama door een slang werd gebeten. Jakob van Kefar Sama kwam om hem te genezen:

“Jakob van Kefar Sama kwam hem genezen in de naam van Jezus ben Pandera.”Tosefta Chullin 2:22–23; parallelle digitale nummering.

Rabbi Ismaël verbood de behandeling. Eleazar wilde met een Bijbeltekst aantonen dat een dergelijke behandeling toegestaan was om een leven te redden, maar overleed voordat hij zijn bewijsvoering kon afmaken.

Een tweede verhaal in dezelfde passage vertelt dat rabbi Eliëzer een ketterse uitspraak hoorde van Jakob van Kefar Sekhania:

“Hij vertelde mij een woord van ketterij in de naam van Jezus ben Pantiri.”Tosefta Chullin 2:24.

Adiel Schremer beschouwt deze verhalen als vroeg-rabbijnse teksten waarin volgelingen van Jezus als minim, ketters of religieuze buitenstaanders, van de rabbijnse gemeenschap worden afgegrensd.Adiel Schremer, Brothers Estranged: Heresy, Christianity, and Jewish Identity in Late Antiquity, Oxford University Press, 2010, hoofdstuk 4, “Producing Minut: Labeling the Early Christians as Minim”, p. 87–100; Oxford Academic.

Het verhaal over Eleazar ben Dama staat ook in de Jeruzalemse Talmoed, Avodah Zarah 2:2 en Shabbat 14:4:

“Ik zal over u spreken in de naam van Jezus ben Pandera.”Jeruzalemse Talmoed, Avodah Zarah 2:2; Jeruzalemse Talmoed, Shabbat 14:4.

Een andere passage vertelt dat een kleinzoon van rabbi Jozua ben Levi dreigde te stikken. Iemand fluisterde een formule in Jezus’ naam:

“Hij fluisterde in de naam van Jezus ben Pandera en het kind kon weer ademen.”Jeruzalemse Talmoed, Avodah Zarah 2:2.

Toen de rabbi hoorde welke naam was gebruikt, verklaarde hij dat het beter zou zijn geweest als het kind was gestorven dan dat het door deze woorden was genezen.

Een parallel staat in de Babylonische Talmoed, Avodah Zarah 27b. In sommige tekstversies wordt Jakob daar een ketter en leerling van Jezus de Nazarener genoemd.Babylonische Talmoed, Avodah Zarah 27b.

De verhalen ontkennen niet steeds dat de genezing zou kunnen werken. De behandeling wordt vooral afgewezen omdat het aanroepen van Jezus’ naam als religieus ontoelaatbaar wordt beschouwd.

De aanduidingen Pandera, Pantera, Panteira en Pantiri verschillen per handschrift. Waarschijnlijk gaat het om een oude naam of bijnaam die in Joodse en anti-christelijke polemiek met Jezus werd verbonden. De precieze oorsprong ervan is onzeker.

Jezus als leerling van Jozua ben Perachja In de Babylonische Talmoed, Sotah 47a en Sanhedrin 107b, wordt Jezus voorgesteld als leerling van de rabbijn Jozua ben Perachja:

“Jozua ben Perachja stootte Jezus de Nazarener, een van zijn leerlingen, met beide handen van zich af.”Babylonische Talmoed, Sotah 47a.

Volgens het verhaal vluchtten Jozua ben Perachja en Jezus tijdens de vervolgingen onder koning Alexander Jannaeus naar Egypte. Tijdens hun terugreis verbleven zij in een herberg. Jozua prees de herberg, maar Jezus dacht dat hij de vrouw van de herbergier bedoelde en maakte een opmerking over haar uiterlijk.

Zijn leermeester verstootte hem. Toen Jezus later wilde terugkeren, begreep hij een handgebaar van Jozua verkeerd en dacht hij opnieuw te worden afgewezen. Daarna zou hij een baksteen als afgod hebben opgericht.

De passage besluit:

“Jezus bedreef tovenarij, zette aan en leidde Israël op een dwaalweg.”Babylonische Talmoed, Sanhedrin 107b.

De chronologie past niet bij Jezus van Nazareth. Jozua ben Perachja en Alexander Jannaeus worden ongeveer een eeuw vóór Jezus geplaatst.“Joshua b. Peraḥyah”, Jewish Encyclopedia.

Het verhaal kan oorspronkelijk over een andere persoon met de naam Yeshu zijn gegaan. Het is ook mogelijk dat verschillende tradities later werden samengevoegd of dat latere redacteuren een ouder verhaal met Jezus van Nazareth verbonden. De passage is daarom geen betrouwbare bron voor Jezus’ werkelijke opleiding of verblijf in Egypte.

Ben Stada en Ben Pandera In Shabbat 104b wordt gesproken over Ben Stada, die magische kennis uit Egypte zou hebben meegenomen:

“Heeft Ben Stada geen toverspreuken uit Egypte meegebracht, ingekerfd in zijn vlees?”Babylonische Talmoed, Shabbat 104b.

De rabbijnen antwoorden dat Ben Stada een dwaas was en daarom niet als normaal voorbeeld kon worden gebruikt.

Vervolgens bespreekt de tekst zijn afkomst. Eerst wordt gezegd dat hij niet Ben Stada, maar Ben Pandera was. Zijn moeder wordt Miriam genoemd en omschreven als iemand die vrouwenhaar verzorgde. Daarna volgt een woordspeling waarin wordt gezegd dat zij van haar echtgenoot zou zijn “afgeweken”:

“Deze vrouw week af van haar echtgenoot.”Babylonische Talmoed, Shabbat 104b.

Een parallel staat in Sanhedrin 67a. Daar wordt Ben Stada met een terechtstelling verbonden:

“Zij deden dit met Ben Stada in Lod en hingen hem op de vooravond van Pesach.”Babylonische Talmoed, Sanhedrin 67a.

De overeenkomsten met de rabbijnse Jezusverhalen zijn: zijn moeder heet Miriam; Pandera wordt als vader of minnaar genoemd; hij heeft een verbinding met Egypte; zijn bijzondere daden worden als magie omschreven; zijn executie wordt rond Pesach geplaatst.

Daartegenover staan verschillen in plaats, familiegegevens, naamgeving en chronologie. Sommige onderzoekers beschouwen Ben Stada daarom als een oorspronkelijk andere magiër die later met Jezus werd verbonden. Schäfer ziet de passage als onderdeel van een polemische tegenvoorstelling van Jezus’ geboorte en wonderen.

Berakhot 17b