thumb|Indische Oceaan, 1873 thumb|Havenplaatsen aan de Swahilikust De slavenhandel over de Indische Oceaan, ook wel Oost-Afrikaanse slavenhandel genoemd, betrof de gevangenneming en het transport van slaven uit voornamelijk de Sub-Sahara langs de Swahilikust, de Hoorn van Afrika en over de Indische Oceaan. Tot de gebieden waarop deze handel betrekking had, behoorden Oost-Afrika, Zuid-Arabië (het zuiden van het Arabisch Schiereiland), de westkust van het Indiaas subcontinent, de eilanden in de Indische Oceaan (waaronder Madagaskar) en delen van Zuidoost-Azië, waaronder Java.
Hoewel de slavenhandel in de Indische Oceaan ongeveer 2000 v.Chr. begon, breidde zij zich in de late oudheid (1e eeuw n.Chr.) sterk uit met de opkomst van de handelsnetwerken van het Byzantijnse Rijk en het Sassanidenrijk. De Arabisch-islamitische slavenhandel begon in de 7e eeuw, waarbij de omvang van de handel schommelde met de opkomst en neergang van plaatselijke machthebbers. Vanaf de 16e eeuw werden slaven ook naar Amerika en de Caraïben vervoerd, toen Europese mogendheden zich met de slavenhandel gingen bezighouden. De handel nam af na de afschaffing van de slavernij in de 19e eeuw, maar bleef ook daarna nog bestaan.
Geschiedenis Oude slavenhandel in de Indische Oceaan De slavenhandel in de Indische Oceaan gaat terug tot 2500 v.Chr. De oude Babyloniërs, Egyptenaren, Grieken, Indiaërs en Perzen dreven allen op kleine schaal handel in slaven over de Indische Oceaan (en soms ook de Rode Zee). De slavenhandel in de Rode Zee ten tijde van Alexander de Grote wordt beschreven door Agatharchides. Strabo vermeldt in zijn Geographika (voltooid na 23 n.Chr.) dat Grieken uit Egypte slaven verhandelden in de haven van Adulis en andere havens aan de Hoorn van Afrika. Ook Plinius de Oudere beschrijft in zijn Naturalis Historia (gepubliceerd in 77 n.Chr.) de slavenhandel in de Indische Oceaan.
In de 1e eeuw n.Chr. vermeldt de Periplus van de Erythreïsche Zee mogelijkheden voor de slavenhandel in de regio, met name de handel in mooie meisjes als concubines. Volgens deze handleiding werden slaven uitgevoerd vanuit Omana (waarschijnlijk nabij het huidige Oman) en Kanê naar de westkust van India. De oude slavenhandel in de Indische Oceaan werd mogelijk gemaakt door de bouw van schepen die grote aantallen mensen konden vervoeren in de Perzische Golf, met hout dat uit India werd ingevoerd. Deze scheepsbouwactiviteiten gaan terug tot de Babylonische en Achaemenidische tijd.
Gujarati-handelaren behoorden tot de eerste zeevaarders die de Indische Oceaan verkenden. Zij handelden in slaven en Afrikaanse goederen zoals ivoor en schildpadschilden. De Gujarati's namen deel aan de slavenhandel in Mombassa, Zanzibar en, in mindere mate, in zuidelijk Afrika. Ook Indonesiërs namen eraan deel; zij brachten specerijen mee om in Afrika te verhandelen en keerden via India en Sri Lanka terug met ivoor, ijzer, huiden en slaven.
Nadat het Byzantijnse Rijk en het Sassanidenrijk zich in de 6e eeuw met de slavenhandel gingen bezighouden, groeide deze uit tot een belangrijke onderneming.
Cosmas Indicopleustes schreef in zijn Christelijke topografie (550 n.Chr.) dat Somalische havensteden slaven die in het binnenland waren gevangengenomen via de Rode Zee uitvoerden naar Byzantijns Egypte. Hij vermeldde ook de invoer van eunuchen door de Byzantijnen uit Mesopotamië en India. Na de 1e eeuw werd de uitvoer van zwarte Afrikanen uit Tanzania, Mozambique en andere Bantoe-groepen een "constante factor".
Islamitische slavenhandel in de Indische Oceaan thumb|Schets van Stone Town met het oude fort en paleis uit de periode 1871-1875. Stone Town op Zanzibar was een haven in de slavenhandel in de Indische Oceaan. thumb|Arabisch-Swahilische slavenhandelaren en hun gevangenen langs de Ruvuma in Mozambique. De islamitische wereld breidde zich in de 8e eeuw uit langs handelsroutes, zoals de Zijderoute. Naarmate de macht en omvang van de islamitische handelsnetwerken groeiden, werden kooplieden langs deze routes ertoe aangezet zich tot de islam te bekeren, omdat dit hun toegang gaf tot handelscontacten, handelsroutes en gunstige handelsvoorwaarden onder islamitisch bestuur. Tegen de 11e eeuw was Kilwa, aan de kust van het huidige Tanzania, uitgegroeid tot een welvarend centrum van de islamitische handel in slaven en goud.
De uitvoer van slaven naar de islamitische wereld via de Indische Oceaan begon nadat islamitische Arabische en Swahili-handelaren in de 9e eeuw de controle hadden verkregen over de Swahilikust en de zeeroutes. Deze handelaren namen Bantoe (Zanj) gevangen in het binnenland van het huidige Kenia, Mozambique en Tanzania en brachten hen naar de kust.
Daar werden de slaven geleidelijk opgenomen in de plattelandsgemeenschappen, met name op de eilanden Unguja en Pemba. Islamitische kooplieden verhandelden naar schatting jaarlijks ongeveer 1000 Afrikaanse slaven tussen 800 en 1700. Dat aantal groeide tot ongeveer 4000 in de 18e eeuw en bedroeg circa 3700 per jaar in de periode 1800-1870.
William Gervase Clarence-Smith schreef dat het schatten van het aantal verhandelde slaven binnen de wetenschap omstreden is, vooral wat betreft de slavenhandel in de Indische Oceaan en de Rode Zee. Bij een schatting van het aantal mensen dat vanuit Oost-Afrika tot slaaf werd gemaakt, komen de auteur N'Diaye en de Franse historicus Olivier Pétré-Grenouilleau uit op acht miljoen mensen die tussen de 7e eeuw en 1920 werden vervoerd, gemiddeld ongeveer 5700 personen per jaar. Velen van hen werden via de Indische Oceaan en de Rode Zee over Zanzibar vervoerd.
Dit vergelijken zij met hun schatting van negen miljoen mensen die via de Sahara werden weggevoerd. De gevangenen werden verkocht in het Midden-Oosten en Oost-Afrika. De handel nam toe doordat grotere schepen meer transport mogelijk maakten en de vraag naar arbeidskrachten op plantages groeide. Uiteindelijk werden jaarlijks tienduizenden gevangenen weggevoerd.
De slavenarbeid in Oost-Afrika werd geleverd door de Zanj, Bantoevolken die langs de Oost-Afrikaanse kust leefden. Eeuwenlang werden de Zanj door islamitische handelaren als slaven verscheept naar alle landen rond de Indische Oceaan. De Omajjaden en de Abbasiden rekruteerden veel Zanj-slaven als soldaten en al in 696 kwamen Zanj-slavensoldaten in Irak in opstand.
Een Chinese tekst uit de 7e eeuw vermeldt dat gezanten uit Java in 614 twee Seng Chi (Zanj)-slaven aan de Chinese keizer schonken. Kronieken uit de 8e en 9e eeuw vermelden dat Seng Chi-slaven vanuit het hindoeïstische rijk Srivijaya op Java China bereikten. De 12e-eeuwse Arabische geograaf Al-Idrisi schreef dat de heerser van het Perzische eiland Kish "het land van de Zanj met zijn schepen overvalt en vele gevangenen meeneemt". Volgens de 14e-eeuwse Berberse reiziger Ibn Battuta hielden de sultans van het sultanaat Kilwa regelmatig rooftochten in de omgeving van het huidige Tanzania om slaven te bemachtigen.
De Zanj-opstand, een reeks opstanden die tussen 869 en 883 plaatsvonden nabij de stad Basra in het huidige Irak, zou zijn gevoerd door tot slaaf gemaakte Zanj die oorspronkelijk afkomstig waren uit het Grote Merengebied en andere streken verder zuidelijk in Oost-Afrika. De opstand groeide uit tot een beweging van meer dan 500.000 slaven en vrije mannen die uit het gehele islamitisch rijk waren aangevoerd en kostte volgens de overlevering "tienduizenden levens in Zuid-Irak".
De Zanj die als slaven naar het Midden-Oosten werden gebracht, werden vaak ingezet voor zwaar landbouwkundig werk. Toen de plantage-economie groeide en de Arabieren rijker werden, gingen zij landbouw en andere vormen van handarbeid als minderwaardig beschouwen. Het daaruit voortvloeiende tekort aan arbeidskrachten leidde tot een groeiende slavenmarkt.
Volgens een bron werden grote aantallen slaven uit Oost-Afrika uitgevoerd. Als belangrijkste aanwijzing daarvoor wordt de omvang van de Zanj-opstand in Irak in de 9e eeuw genoemd, hoewel niet alle daarbij betrokken slaven Zanj waren, omdat de naam in algemene zin werd gebruikt en niet uitsluitend voor het kustgebied tussen ongeveer 3° noorderbreedte en 5° zuiderbreedte.
De Zanj werden onder meer ingezet voor de ontginning van de delta van de Eufraat en Tigris, die door migratie van boeren en herhaalde overstromingen in moerasland was veranderd, maar door intensieve arbeid weer geschikt kon worden gemaakt voor landbouw. Suikerriet was een belangrijk gewas op deze plantages, vooral in Khuzestan. Daarnaast werkten de Zanj in de zoutmijnen van Mesopotamië, met name rond Basra.
Hun werkzaamheden bestonden uit het verwijderen van de zout- en nitraathoudende bovenlaag waardoor de grond geschikt werd voor landbouw. De arbeidsomstandigheden werden als uiterst zwaar en ellendig beschouwd. Naast de Zanj werden ook vele andere mensen als slaaf naar dit gebied gebracht.
thumb|Een groep Zanj-slaven op Zanzibar (1889) Eunuchen, vrouwelijke concubines en mannelijke arbeiders vormden de belangrijkste groepen slaven die vanuit Ethiopië naar Djedda en andere delen van de Hidjaz werden gebracht. Het zuidwesten en zuiden van Ethiopië leverden de meeste meisjes die door Ethiopische slavenhandelaren naar India en Arabië werden uitgevoerd. Vrouwelijke en mannelijke slaven uit Ethiopië vormden de belangrijkste aanvoer van slaven naar India en het Midden-Oosten. In de 19e eeuw werden Ethiopische slavinnen als concubines en Ethiopische mannen als eunuchen naar Iran ingevoerd. Soedan, Ethiopië, Tanzania en Zanzibar leverden het grootste deel van de slaven die in de 19e eeuw naar Iran werden vervoerd. De belangrijkste herkomstgebieden van deze slaven, die allen via Metemma, Massawa en Tadjourah aan de Rode Zee werden vervoerd, lagen in het zuidwesten van Ethiopië, in het leefgebied van de Oromo en de Sidama.
Aan het einde van de 19e eeuw kochten zowel niet-moslims als moslims in Zuidoost-Azië Japanse meisjes als slaven (Karayuki-san), die over zee naar de regio werden vervoerd.
De Japanse vrouwen werden als concubines verkocht aan zowel islamitische Maleise mannen als niet-islamitische Chinese en Britse mannen in de door de Britten bestuurde Straits Settlements van Brits-Malaya. Zij werden vaak vanuit Japan naar Hongkong en Port Darwin in Australië verhandeld. Volgens de Japanse consul in Hongkong, Miyagawa Kyujiro, werden deze Japanse vrouwen door Maleise en Chinese mannen meegenomen naar "wilde en barbaarse gebieden, waar zij onvoorstelbare ontberingen moesten doorstaan". Een Chinese man betaalde 40 Britse ponden voor twee Japanse vrouwen, terwijl een Maleise man in Port Darwin 50 Britse ponden betaalde voor één Japanse vrouw, nadat zij in augustus 1888 door de Japanse pooier Takada Tokijirō daarheen was verhandeld.
De aankoop van Chinese meisjes in Singapore werd voor moslims verboden door de in Batavia gevestigde Arabische moefti Usman bin Yahya in een fatwa. Hij oordeelde dat het volgens de islam verboden was om in vredestijd vrije niet-moslims van slavenhandelaren te kopen of niet-islamitische slavinnen te huwen, en dat niet-moslims alleen tijdens een heilige oorlog (jihad) tot slaaf mochten worden gemaakt en gekocht.
In Djedda, in het Koninkrijk Hidjaz op het Arabisch Schiereiland, had de Arabische koning Ali bin Hussein twintig Javaanse meisjes in zijn paleis die als concubines werden gebruikt.
De Saoedische verovering van Hidjaz leidde ertoe dat veel slaven uit de stad vluchtten; daar bevonden zich de meeste slaven in Arabië. Moslims negeerden vaak het islamitische verbod om andere moslims tot slaaf te maken. Arabische slavenhandelaren misleidden zowel Javaanse moslims als Javaanse christenen door hun voor te spiegelen dat hun kinderen naar andere plaatsen zouden worden begeleid, terwijl zij hen in werkelijkheid in de slavernij verkochten.
Zanzibar en de uitbreiding van de slavenhandel aan de Swahilikust