miniatuur|Symptomen van chronic wasting disease Chronic wasting disease (CWD) is een overdraagbare prionziekte bij hertachtigen die voorkomt in Noord-Amerika en Scandinavië. CWD heeft veel overeenkomsten met de schapenziekte scrapie.

Verspreiding In Amerika worden het muildierhert (Odocoileus hemionus) en het witstaarthert (Odocoileus virginianus) getroffen, evenals de Rocky Mountain-wapiti (Cervus elaphus nelsoni of Cervus canadensis nelsoni), een ondersoort van het edelhert.

In Europa is CWD vastgesteld bij wilde rendieren en edelherten in Noorwegen, en bij elanden in Noorwegen, Zweden en Finland.

Ziekteverloop De klinische kenmerken van CWD worden veroorzaakt door prionen, afwijkend gevormde eiwitten in de hersenen. Deze leiden tot afbraak van hersenweefsel, waardoor er kleine holtes ontstaan in de hersenen, wat de klinische symptomen van de ziekte verklaart.

Bij volwassen dieren zijn de belangrijkste kenmerken gewichtsverlies en gedragsveranderingen die weken tot maanden aanhouden. Deze gedragsveranderingen uiten zich op verschillende manieren: de dieren worden somber, agressief of trekken zich terug van de groep, ze veranderen hoe ze omgaan met kuddegenoten en verzorgers, lopen met een verlaagde kop, ijsberen herhaaldelijk langs de rand van hun omheining en reageren schichtig bij contact met mensen. Daarnaast krijgen de dieren vaak moeite met slikken en voortbewegen, wat bijdraagt aan het gewichtsverlies. Ook komen overmatige dorst en urineproductie voor, net als flauwvallen, periodes van verminderd bewustzijn en een gefixeerde, lege blik. Minder typische symptomen zijn tandenknarsen, overmatig kwijlen, wankele en ongecoördineerde bewegingen, trillen van het hoofd, een verwijde slokdarm met terugvloeien van voedsel, en longontsteking door verslikking. Belangrijk is wel dat de normale seizoensgebonden schommelingen in lichaamsgewicht bij hertachtigen niet verward mogen worden met subtiele gedragsveranderingen van CWD.

Overdraagbaarheid CWD wordt overgedragen door direct contact tussen een geïnfecteerd en een niet-geïnfecteerd dier (horizontale overdracht). Daarnaast kunnen de prionen ook overleven in de omgeving: ze blijven aanwezig op plekken waar dieren grazen, samenkomen, liggen of drinken, wanneer deze besmet zijn geraakt met ontlasting, speeksel of het karkas van een geïnfecteerd dier. Andere dieren kunnen zo ook indirect besmet raken, zonder rechtstreeks contact met een ziek dier. Eenmaal in het lichaam vermenigvuldigen de prionen zich eerst in het weefsel van het afweersysteem (lymfeweefsel), voordat ze vermoedelijk via het bloed of de zenuwbanen de hersenen bereiken. Later verspreiden de prionen zich ook naar de rest van het lichaam en worden ze uitgescheiden via ontlasting, urine of speeksel. Op die manier kan de besmettingscyclus zich voortzetten naar andere dieren.

De incubatietijd, de tijd tussen besmetting en ontwikkeling van symptomen, bedraagt meestal twee tot vier jaar.

Referenties

Categorie:Dierziekte Categorie:Infectie door prionen